Tot heersen is wie zich beheerst bij machte

De Duitse dichter Barbara Köhler (1959-2021) bezocht in 2016 het kunstproject ‘Warten auf den Fluss’. Dat was een installatie in de vorm van een lange houten zigzaggende brug die in het Ruhrgebied lag te wachten op het moment dat het riviertje de Emscher daar zou binnenstromen. Het kunstwerk was bewoond en op uitnodiging van de Rotterdamse kunstenaars van ‘Observatorium’ was Köhler enige tijd te gast. Het resultaat van haar verblijf is de bundel 42 vensters op Warten auf den Fluss, die, inclusief het inleidende en afsluitende vers uit 44 gedichten bestaat.

Köhlers observaties en gedachten hebben vooral betrekking op de taal. Het project werd door bezoekers uit vele landen aangedaan en haar gedachten over de klanken en woorden, verschillen en overeenkomsten in vorm en betekenis, dragen voor een belangrijk deel deze gedichten. Al in de inleiding filosofeert zij bijvoorbeeld over het fenomeen van de ‘valse vrienden’, woorden die in twee talen in klank en spelling overeenkomen, maar heel misleidend verschillende betekenissen hebben. Köhler oppert dat het woord ‘valse’ wellicht het enige werkelijk valse is aan dat begrip, ‘omdat het het zicht belemmert op wat dergelijke woorden juist blootleggen: ongewone perspectieven op het vreemde, op zowel het andere als het vertrouwde, het gewone – en de mogelijke, plotseling weer mogelijke bewegingen ertussen, een vriendelijkheid.’

Het creëren van mogelijke beweging was intussen ook precies wat het wachten op een rivier inhield. De kunstenaars en de bezoekers stelden zich open voor iets wat het niet was, maar wat wel degelijk zou kunnen komen.

Köhler boetseerde vervolgens haar gedichten in een uiterst strakke mal, iets wat zij wel vaker deed in haar werk. In dit geval moest elk gedicht bestaan uit negen regels en elke regel uit 62 toetsaanslagen (inclusief spaties en interpunctie). Bovendien koos ze voor een niet-proportioneel lettertype (waarbij iedere aanslag evenveel ruimte inneemt, een beetje zoals bij oude schrijfmachines), zodat ieder gedicht een strakke rechthoek, een venster, vormde.

Het lijkt de vooringenomen poëzielezer een wat malle onderneming, zo’n meedogenloze inperking. Maar dat is hij natuurlijk niet. En hij is zeker niet zonder precedent. Denk aan refereinen, sonnetten, limericks, ollekebollekes en heel veel andere dichtgetimmerde dichtvormen. Toen, het lijkt een mensenleven geleden, sms als communicatiemiddel zijn intrede deed, duurde het niet lang voor de eerste bundel met sms-gedichten van Sofie Cerutti het licht zag.

Zonder afbreuk te doen aan de bijzondere poëzie die in vrije-versvorm geschreven is, kan een vrijwillig gekozen beperking natuurlijk ook verfrissend en creatief zijn. De kwaliteit van zowel vrije verzen als ingekaderde gedichten is immers zeer afhankelijk van de maker. Een opgelegde beperking kan tot zelfoverwinning leiden, zoals Jacques Perk aangaf in ‘Aan de sonnetten’ uit zijn Mathilde-cyclus (1881): ‘Tot heerschen is, wie zich beheerscht, bij machte’.

Köhler is wat dat betreft zeker tot heersen bij machte. Haar gedichten zijn helder, oorspronkelijk en soeverein. Maar ook een vertaler moet er nog mee uit de voeten kunnen. Ton Naaijkens licht achterin de bundel zijn werkwijze toe. Na veel denken en wachten en een eerste vrije vertaling, volgde de immense eindopdracht: het moesten vensters worden, krachtige, regelmatige vierkanten. De observaties en de inhoud eisten het; de taal en de talen eisten het, zoals in dit gedicht, dat voortborduurt op het idee van de ‘valse vrienden’ uit de inleiding:

Het vertalen moet een hels karwei geweest zijn, maar met een alleszins bewonderenswaardig resultaat. 42 vensters op Warten auf den Fluss biedt (ook in kaarten en tekeningen van het kunstproject, maar toch vooral in de gedichten) een boeiende kijk in een wachtend, denkend, filosoferend brein. Net als de ‘valse vrienden’ dat doen, openen de gedichten onvermoede vergezichten en perspectieven. Wachten op een rivier is geen statische bezigheid. Het legt de werking van een dynamische geest bloot die venster na venster speels en geduldig, talig en beeldend de mogelijke, verwachte beweging in kaart brengt. Het slotgedicht vat dat zo samen:

Dat laatste zijn vragen die er meer toe doen, dan het lijkt. Het zijn vragen naar de zin der dingen en naar het recht op wat er komen gaat. Na 42 vensters ‘Warten auf den Fluss’ is het natuurlijk heel legitiem om te vragen wat we aan al dat wachten hebben gehad. Het antwoord zal zo veelledig zijn als dat er hoofden zijn waarin die vraag opkomt. Heel prozaïsch luidt mijn antwoord: we hebber er een bundel met meesterlijke (en meesterlijk vertaalde) gedichten aan overgehouden.

De slotvraag is wezenlijker: ‘En komt ons toe wat nu komt?’ Wie daar het antwoord op weet, mag het zeggen.

Jan de Jong

Barbara Köhler – 42 vensters op Warten auf den Fluss. Vertaling Ton Naaijkens. Uitgave van Perdu, Poëziecentrum en Terras. 96 blz. € 20,00

1