Waarom? Daarom!

De vraag die menige schrijver al honderd of meer keren heeft moeten beantwoorden en die vooral tijdens de Boekenweek niet van de lucht is, luidt: ‘Waarom schrijft u?’ Ja, waarom eigenlijk? Het publiek wordt niet moe dat te vragen, maar: ‘Waarom een pianist
piano speelt, vraagt het nooit,’ aldus Willem Frederik Hermans in een fraai verzorgde brochure die bij De Harmonie is verschenen en als titel draagt: Waarom schrijven?

Het is, aldus Hermans, schrijvers hun eigen schuld dat ze altijd maar weer moeten vertellen waarom, ‘in elk geval de schuld van schrijvers die niemand lezen wil. Juist zij kunnen het moeilijkst een antwoord bedenken op de vraag waarom zij schrijven en daarom is er niets waar ze ook zelf zo nieuwsgierig naar zijn. […]

Schrijvers blijven schrijven, ook al komen hun boeken ongelezen bij de oud-papierhandelaar terecht. Zelfs als ze ermee opgehouden zijn, gaan ze door met te vertellen dat ze aan een nieuw boek werken. Het lijkt wel of ze de moed nooit opgeven en ’t is ook wel begrijpelijk dat ze blijven hopen op een uiteindelijke triomf, die hun werk immers desnoods zelfs na hun dood nog kan behalen.

Geen wielrenner komt als eerste aan de eindstreep na het hoekje te zijn omgegaan, geen muzikant die lang geleden het concertpodium met schande overdekt verlaten heeft, wordt alsnog tot de grootste uitgeroepen na de kraaienmars te hebben geblazen. Geen verslagen schaakmeester behaalt het wereldkampioenschap op zijn sterfbed.

Maar jawel. Een enkele keer gebeurt het dat.een honderd jaar geleden geschreven boek plotseling wordt ontdekt. Totaal onmogelijk is dit tenminste niet, al maak je ’t zelden mee. In de verwachting van zo’n ontdekking heeft menige mislukte schrijver het antwoord gevonden waarom hij schrijft.

Alles goed en wel, maar nu we toch bezig zijn: waarom schrijft Willem Frederik Hermans? Hij zegt: ‘Mij heeft het eigenlijk nooit geïnteresseerd waarom een ander schreef en over de vraag waarom ik het zelf doe, heb ik tot dusverre nog niemand ernstig te woord gestaan.’

Het geijkte antwoord dat de lachlust van boekenvrienden opwekt, luidt: ‘Ja, kijkt u eens. Dit is heel eenvoudig. Als ik al die mooie boeken niet zelf geschreven had, moest ik naar de boekhandel om ze te kopen. Maar nu hoeft dat niet, want bij de verschijning krijg ik van mijn uitgever tien exemplaren voor niemendal.’

En als men uitgelachen is, voegt Hermans eraan toe: ‘Denkt u nu heus dat het waar is wat ik u hier vertel! Gelooft u werkelijk dat ik te gierig zou zijn om een paar tientjes op tafel te leggen voor zulke prachtboeken als de mijne?’

Weten we dus nóg niets! In het vervolg van zijn brochure vertelt Hermans echter wel degelijk iets over de achtergronden van en drijfveren achter zijn schrijverschap. Vier jaar oud nam hij al het besluit om een boek te maken, welk besluit resulteerde in een omgegooide inktpot en een vlek op des jongen schrijvers schortje.

De eerzucht van de jonge Hermans werd gesterkt door zijn grootmoeder, die de verhalen over wonderkinderen in de krant spelde, maar Willem Frederik zag geen kans om zich te onderscheiden op de piano of de viool.

Ook met meccanodozen toonde hij zich geen held: ‘Zelfs nu ik bijna een oude man ben, komt de bittere herinnering aan dit gebrekkige speelgoed nog op gezette tijden bij mij boven, wat in mijn dagboek sporen nalaat.’ En het schoonschrijven op school was ook al een crime, de juf zei dat hij het nooit zou leren.

Hermans: “t Was waar. Ik kan met de hand snel en niet onleesbaar schrijven, maar lelijk is mijn schrift altijd gebleven en ik heb er een hekel aan. Als de schrijfmachine niet was uitgevonden, die piano van de schrijver, zou ik altijd een mislukte pianist gebleven zijn.’

De uitvinder van de schrijfmachine zij geprezen, maar dat was-ie natuurlijk allang.

In de schoolkrant van het gymnasium zag Hermans voor het eerst een tekst van hemzelf in drukletters. Het stukje ging over het midwinterblazen dat hij in Ootmarsum had gadegeslagen, en telde iets van vijftien regels. Het was achteraf niet de manier om zijn grootmoeder te bewijzen dat hij een wonderkind was net als Yehudi Menuhin.

Willem Frederik Hermans moest nu opschieten: ‘Ik was al twaalf en als ik niet zorgde dat ik opschoot, was ik straks geen kind meer. En welke wonderen ik misschien nog te weeg zou brengen, dan zouden ze niet meer door mijn kind-zijn in het kwadraat worden verheven.’ Hij kreeg een kans om zich alsnog te onderscheiden in een voordrachtswedstrijd voor de hoogste vier klassen. Hoewel hij pas in de tweede zat, mocht hij toch meedoen. Hij, als jongste deelnemer, zou ongetwijfeld de eerste prijs krijgen! Maar dat was niet zo: hij viel buiten de prijzen en moest zich de schimpscheuten van zijn klasgenoten laten welgevallen, terwijl hij maar zat te snikken.

Dus daarom schrijft Willem Frederik Hermans. Je moet er niet aan denken dat hij die voordrachtswedstrijd wel had gewonnen!

Frank van Dijl

Willem Frederik Hermans – Waarom schrijven? De Harmonie.

Deze recensie verscheen eerder in Het Vrije Volk op 24 maart 1984.

Willem Frederik Hermans (1921-1995).

1