Een toekomst met veel heimwee

Een compliment uitdelen met de handrem erop. Ergens lyrisch over zijn, maar het dan toch laten bij de mededeling: ’t kon minder: dát kunnen mensen die in het Noorden of in Twente wonen.

Als titel voor de bloemlezing die hij samenstelde uit het werk van Willem Wilmink, schiet samensteller Vic van de Reijt al op het omslag raak. Want het staat er kort en zakelijk, als een vaststaand feit, op de gedundrukte uitgave: Wilmink ’t kon minder.

Van de Reijt, uitgever en ooit leerling van Wilmink, stelde een thematische bloemlezing van liedjes, verhalen en gedichten samen uit het immense oeuvre van Wilmink, die in 2003 overleed. Die selectie begint met verhalen, waarin Wilmink terugkijkt op zijn jeugd en zijn studiejaren. Ze maken duidelijk uit welke vaatjes Wilmink het liefste tapte: heimwee en melancholie, die soms schrijnen. ‘Herinneringen, soms liefelijk, een enkele keer zelfs vermomd als hemelse taferelen. Maar er zijn er ook die lelijk aangebrand ruiken’.

Voor het jongetje Wilmink was er bij zijn moeder geen ontkomen aan. Ook aangebrande pap moest hij opeten. Oorlogskind immers, in een gezin dat het niet breed had. Want Textielfabriek Holland voedde weliswaar veel monden in Enschede, maar de lonen waren te laag om van te leven en te hoog om van dood te gaan.

Armoe dus. Met eenmaal per week je zelf wassen in een teil. Daarna bij de warme kachel zitten, bij een olielamp en vader die een lied zingt. Luisteren naar het orgel van Kiel, die met vrouw en 12 kinderen en het paard dat het orgel trok in één kamer sliep. ‘Stinkt dat dan niet, Kiel? O, daar went het paard wel aan.’

In de afdeling verhalen ook het ongemak van de jongen die op het Christelijk Lyceum geraakt, hoge cijfers voor zijn opstellen haalt en als eerste in de familie studeert. In Amsterdam, waar hij geen aansluiting krijgt met andere studenten. Naar zijn idee door zijn Twentse accent, al hielp het vermoedelijk ook niet dat Wilmink graag accordeon speelde of kastelen en kathedralen bezocht, uit bewondering voor de bouw.

In deze verhalen geen aandacht voor de Wilmink die docent moderne letterkunde was aan de Universiteit van Amsterdam. Die promoveerde op het werk van de Groningse dichter Hendrik de Vries, Engelse poëzie vertaalde of de ‘Beatrijs’ in vlot, toegankelijk Nederlands een nieuwe generatie lezers gaf. Of Herman van Veen met ‘Hilversum III’ een grote hit gaf.

Nee, denken dat je er niet bij hoort, eenzaam zijn tussen velen, je ergens niet thuis voelen, op een bruiloft al aan de scheiding denken – dát is de goudmijn waar Wilmink uit put, vooral in zijn poëzie, de sterkste afdeling van ’t Kon minder.

Ze komen allemaal langs, de poëzie en liedjes die Wilmink (op muziek gezet door Harry Bannink) maakte voor de Stratemaker op Zee-show, Ome Willem en nog veel meer. Met altijd compassie voor de eenling, die om welke reden dan ook even niet lekker ligt bij de rest. Een situatie die Wilmink dan graag omdraait, zoals in ‘Het driftige kind’:

Ze zeggen dat ik een driftkikker ben,
en het is misschien wel waar,
Ze zeggen dat ik een driftkikker ben,
maar ze máken het ernaar.

In zijn latere leven durfde Wilmink ook in het Twents te schrijven. Van de Reijt heeft onder andere ‘Heftan tattat’ opgenomen. Hoe kernachtig kun je het zeggen? Heftan tattat: hij heeft het aan het hart gehad.

Maar ’t Kon minder laat toch vooral de melancholicus Wilmink zien. Neem ‘Uitreiking van de diploma’s’. In het octaaf van dit sonnet heeft Wilmink nog oog voor de zonzijde, voor de leerlingen die godzijdank nooit meer vragen zullen krijgen over de passé défini. In de laatste strofe van de wending gaat het zo:

Nu slaat voor ’t laatst de grote schooldeur dicht,
en kijk, daar gaan ze: blij en doelgericht
een toekomst met veel heimwee tegemoet.

Matthé ten Wolde

Willem Wilmink – ’t Kon minder. Van Oorschot. Amsterdam. 304 blz. € 27.50.

2