Open brief aan Ursus Major, bij leven en welzijn Jeroen Brouwers

Beste Jeroen,

‘Struikel niet over je pedanterie, Lodewijk,’ was de voorlaatste zin die je me schreef, enige maanden geleden, naar aanleiding van een aanmerking die ik maakte op je gedrag ergens heel ver terug in het verleden. Ik deed dat omdat ik alles tussen ons zuiver wilde hebben, uitgesproken wilde hebben en het betreffende voorval al vele jaren rond danste in het vagevuur van mijn lafheid.
        Call me pedant, Jeroen, want dat ben ik, en niet zo’n beetje ook, maar jij was soms overdreven romantisch en kon dan emotioneel aan het schmieren slaan.

Wij kennen elkaar nu vierenvijftig jaar, ik heb het uitgerekend, en dat gaat nooit meer over, maar het gaat ook nooit meer door.

Lieve Jongen, ik krijg nu, in deze stille en duistere kamer in Haarlem, een mij bekende influistering over tijd en ruimte heen, van een gast uit zijn graf in Stratford on Avon, die werkelijk echt nooit zijn mond kan houden, al is hij meer dan vier honderd en zes jaar geleden, zeventien voet diep, begraven.
        Hij is nog erger dan jij, of ik; het gaat zo:
        And Time, that takes survey of all the world, must have a stop.
        Uit de mond van een van zijn personages golden die woorden als een verzoek, een smeekbede zelfs, maar nu komen ze bij me aan als een geruststelling, alsof jij me toefluistert: ‘Pedante Lodewijk, het is zoals het is, mijn Tijd was op.’

Ik heb hier niet alles staan wat je in literaire zin hebt nagelaten, maar wel heel veel, bijna twee meter.

‘Jeroen, ik ben geil van wat je schrijft,’ zei Theo Sontrop ooit, die ik even lang gekend heb. Hij was goed voor twee pakjes Gitanes per dag, jij voor twee pakjes Caballero, zonder filter. Bij Hermans was het, ongeveer in evenredigheid, Gauloise.
        Wijn, heren, is niet genoeg?
        Ik kan niet geil worden van literatuur, ik kan er soms wel de schoonheid van zien en die waarderen.

In een bepaalde periode ondertekende je brieven aan mij met Ursus, omdat ik je toen zo noemde, als aai en uit respect. Ursus Major.

Je laatste geschreven zin aan mij luidde: ‘Dank je wel, Lodewijk.’
        Dat was kort geleden naar aanleiding van een open brief van mij aan Arnon Grunberg, als kolom op de Tzum, met als passage: ‘Arnon, dat jij de P.C. Hooft-prijs zou verwerven stond in de sterren geschreven, maar dat Jeroen Brouwers, met een torenend oeuvre van meer dan zestig titels nu opnieuw gepasseerd is, terwijl de dood op weg is naar zijn huis, is niets minder dan een schrijnende omissie.’

Daarvan is door René Hesselink en Carolien ten Oever, meester drukkers, inmiddels een bibliofiel boekje gemaakt, dat ik je graag had willen geven, met een saluut over tijd en ruimte heen.

Maar de Dood is inmiddels langs geweest.

Ik stuur het boekje poste restante.

Geniet van een lange, welverdiende winterslaap.

Lodewijk.

4