Vandaag, 1 september 2022, is het 101 jaar geleden dat Willem Frederik Hermans werd geboren. Met een feestelijke bijeenkomst in De Nieuwe Kerk in Amsterdam wordt vanmiddag het Hermans-jaar afgesloten. Hieronder het verhaal over het totstandkomen van de bibliofiele editie van Geyerstein’s Dynamiek in 1982.

1.

Je kunt niet zeggen dat Willem Frederik Hermans zesentwintig jaar na zijn dood was vergeten. Niet door verzamelaars althans. 

Op 23 januari 2021 ging op Catawiki een exemplaar van Geyerstein’s Dynamiek van de hand voor 488 euro.

Het was dan ook een prachtige uitgave, al zeg ik het zelf.

Ik was er in 1982 de uitgever van. 

De bibliofiele editie van Hermans’ novelle telde vijfentachtig exemplaren in twee verschillende uitvoeringen, die de auteur op 16 augustus 1982 in zijn appartement aan de avenue Niel in Parijs nummerde en signeerde – vijfentwintig exemplaren gebonden in halfleer met platten van perkament en gestoken in een foedraal van rondom leer en perkament, romeins genummerd, zestig exemplaren gebonden in halfleer met platten van Frans handmarmerpapier, waarvan vijftig arabisch genummerd en tien gemerkt A tot en met J.

Het begin 2021 online geveilde exemplaar was nummer 48. Het was al die tijd in mijn bezit gebleven, bewaard onder licht- en stofvrije omstandigheden. Toen ik het op de post deed, zag het er nog net zo mooi uit als bij verschijnen – het zeegroene leer van rug en zijrand van voor- en achterplat, het blauw van het Franse handmarmer, het schitterende bindwerk van David Simaleavich van Binderij Phoenix.

In 1982 kostte een exemplaar van de arabisch genummerde editie 450 gulden en de luxere uitvoering in foedraal 650 gulden – wat veel geld was. Ter vergelijking: de uitgave van De Bezige Bij, die enkele weken na de bibliofiele editie verscheen in de reeks BBLiterair, kostte in de boekwinkel 17,50 gulden. De oplage daarvan bedroeg 15.712 exemplaren. Op de vierde pagina vermeldde De Bezige Bij, bewust of onbewust, onjuist dat dit de eerste druk was, maar in de bibliografie van Hermans’ werken van Frans A. Janssen en Sonja van Stek is dit met vierkante haken gecorrigeerd: ‘Eerste druk [Tweede druk]’.

Op boekwinkeltjes.nl staan tientallen eerste [tweede] drukken van Geyerstein’s Dynamiek voor prijzen van vier tot tien euro. Eén antiquariaat biedt nummer 25 van de werkelijke eerste druk (op het moment van schrijven van dit stuk) aan voor 550 euro.

De waarde van mijn bibliofiele editie in de uitvoering met platten van Frans marmer schommelt nu dus zo’n beetje rond de 500 euro. Nummer 48 wisselde op Catawiki zoals gezegd voor 488 euro van eigenaar, vorig jaar ging nummer 45 voor 420 euro naar de hoogste bieder en in 2014 werd, ook op Catawiki, het exemplaar nummer 43 geveild voor 551 euro. Een exemplaar van de editie in perkament en foedraal, nummer VII, bracht in 2014 1313 euro op.

Ik wilde Hermans destijds uitgeven omdat hij mijn favoriete schrijver was én omdat hij werd verzameld.

Dit is allebei nog steeds waar.

2.

Misschien was het de apostrof. 

Tot de taaleigenaardigheden van Willem Frederik Hermans behoorde het gebruik van de apostrof waar die volgens de officiële spellingsvoorschriften niet op zijn plaats is. ‘Ook schrijf ik en blijf ik schrijven “Oskar’s” en niet “Oskars”,’ liet hij in 1981 aan zijn uitgever weten toen deze een nieuwe druk van De tranen der acacia’s voorbereidde. Hij was zich er wel degelijk van bewust dat zijn schrijfwijze niet correct was: ‘Er had op blz. 175 van De raadselachtige Multatuli “Eduards carrière” moeten staan en niet “Eduard’s carrière”, zoals in de tweede druk helaas.’

Hoezo helaas? Iets verder in hetzelfde stuk stelt hij immers: ’Volgens mij zou voor het Nederlands de Engelse regel beter zijn, dus altijd een apostrof: Filip’s sonatine, Homme’s hoest, Geyerstein’s dynamiek.

Maar een kabaal dat Camiel Hamans daar een jaar of wat geleden over schopte!’ 

Camiel Hamans (1948) is een taalkundige die zich in 1985 opwond over de titel Somberman’s actie, het door Remco Campert geschreven Boekenweekgeschenk van dat jaar. Hij richtte zijn toorn niet alleen op Campert en de Stichting CPNB, want zij ‘zijn niet de enige cultuurdragers, die zich te weinig aan de spellingregels gelegen laten liggen. Onze nationale taal-, spelling- en stijlheemschut, onze Parijse Wacht am Rhein, Willem Frederik Hermans weet evenmin hoe het hoort.’ Want de novellen die Hermans in het begin van de jaren tachtig publiceerde, hadden volgens Hamans moeten heten: Filips sonatine, Hommes hoest, Geyersteins dynamiek.

Hamans: ’Zoals iemand die Hamans heet op school extra aandacht kreeg om te leren hoe hij zijn bezit met een genitief apostrof moest aangeven, zo moet een Hermans, en zeker een van die generatie, grondig onderricht zijn in het gebruik van het afkappingsteken. Of zat hij toen te slapen?’

Niet bepaald het soort dingen dat je over Hermans moest schrijven. Die reageerde dan ook fluks met een krantenartikel onder de kop ‘Camiel’ plagiaat’, kop die ongetwijfeld pesterig was bedoeld, maar door het wegvallen van de ‘s’ slagkracht miste.

De titel Hommes hoest zou de lezer op de gedachte kunnen brengen dat de novelle gaat over een zekere Hommes die ziek is en dus moet hoesten, redeneerde Hermans. Omdat in één keer duidelijk moest zijn dat het hem ging om de hoest van iemand die Homme heet, was de apostrof hier in Hermans’ opinie volkomen gerechtvaardigd. De schrijver liet niet na op te merken ‘sommige in Nederland bestaande spellingsregels idioot’ te vinden, ‘imbeciel’ zelfs. Zodoende ‘is er geen andere oplossing dan er je schouders over ophalen.’

In het krantenstuk spelde Hermans overigens: ‘apostrophe’. ‘Ik doe dus wel meer dingen zogenaamd fout. Zo spel ik puur-Franse woorden meestal op z’n Frans […].’ Drie jaar later, gebundeld in Door gevaarlijke gekken omringd, was het ‘apostrophe’ ‘apostrof’ geworden.

De apostrof dus.

Misschien was het wel de apostrof die Willem Frederik Hermans ertoe bracht om mij de eer te gunnen zijn novelle Geyerstein’s Dynamiek in een kleine oplage uit te geven. 

Als uitgever van bibliofiele boeken opereerde ik onder de ietwat megalomane vlag: Dijl’s Uitgeverij. 

Ik was ermee begonnen omdat ik van mooie boeken hield en het mij toescheen dat de beste manier om mooie boeken te verzamelen was het zelf uitgeven ervan.

Ik had nog maar één titel op mijn naam staan: Wolwevershaven, een doosje met gedichten van Jan Eijkelboom (1926-2008), verschenen in mei 1981.

Mijn tweede uitgave zou een jeugdtekst uit 1935 van Leo Vroman (1915-2014) worden: Philosophische psychologie van de kunst. Het boek was al gedrukt. In het tweede weekend van december ’81 vloog ik, om ze door Vroman te laten signeren, met 120 drukvellen van het laatste katern naar New York – noem het gerust: megalomaan.

De reeks in wording heette – kan het megalomaner? – Dijl’s Bibliofiele Bibliotheek.

Het was mij er niet om te doen om spellingsregels te overtreden, noch om Hermans bij te vallen in zijn omstreden gewoonte om bij de genitief altijd een apostrof te gebruiken. Het ‘kabaal’ daarover tussen Hermans en Hamans barstte, zoals we zagen, pas in 1985 los.

Ik vond en vind Dijl’s mooier dan Dijls. De apostrof geeft de drie smalle letters lucht, de vaste ‘s’ plet de ‘i’, de ‘j’ en de ‘l’ tegen de buik van de ‘D’. Op internet zoekend, kom ik Dijls bovendien tegen als achternaam: op 29 maart 1779 werd een zekere Guillaume Dijls geboren in Maasniel, toen een dorp in de buurt en sinds 1959 een wijk van Roermond. 

Dijl apostrof s dus.

Dus ja, misschien was het inderdaad de apostrof die Hermans over de streep trok.

3.

Dat gebeurde trouwens niet meteen. Eerst sprak Hermans mij aan op mijn positie als redacteur bij Het Vrije Volk. Ik had hem een brief geschreven waarin ik hem herinnerde aan het interview waarvoor ik hem vier jaar eerder had opgezocht in zijn toenmalige woning aan de rue Théodule Ribot. Ik schreef hem over mijn eerste uitgaven en benadrukte dat ik het een bijzondere eer zou vinden als ik van hem een kort verhaal, een novelle of een romanfragment in bibliofiele editie zou mogen uitgeven.

Ik was een parmantig mannetje met mijn ‘Uitgeverij’ en ‘Bibliofiele Bibliotheek’, maar ik had geloof ik wel lef. Ook omdat ik wél dat interview te berde bracht, maar zweeg over mijn column ter verdediging van mijn stadgenoot C. Buddingh’ (1918-1985) nadat die door Hermans ongenadig hard was aangevallen. Evenmin herinnerde ik hem aan mijn recensie van Ik draag geen helm met vederbos waarin ik zijn stijl ‘minder trefzeker’ noemde en hem ‘eindeloze herhalingen’ en zelfs ‘woordwoeker’ verweet.

Per ommegaande beantwoordde Hermans mijn brief: ‘Ons gesprek van enige jaren geleden herinner ik me nog zeer goed en ik bewaar er aangename herinneringen aan.’

Dat strookte met de opdracht waarmee hij het exemplaar van Onder professoren dat ik toen had meegenomen, had voorzien: ‘na een aangenaam gesprek onder ons’, maar de eerlijkheid gebiedt mij hier op te merken dat Hermans in 1979 toestemming weigerde om het interview op te nemen in mijn door Peter Loeb (1954) uit te geven bundel Schrijvers op de rand van ’80. ‘Als ik het een goed interview vond, zou ik wel aan Frans Janssen [1939] toestemming gegeven hebben het op te nemen in Scheppend nihilisme’, liet Hermans schriftelijk aan Loeb weten.

Zijn brief aan mij vervolgde hij met de opmerking dat hij op dat moment ‘geen ongepubliceerde tekst [had] die geschikt zou zijn voor uw bibliofiele editie, maar wat niet is, kan nog komen.’ Ik sluit niet uit dat ik een luchtsprongetje maakte, dit was geen afwijzing.

‘Nu ik u toch spreek,’ ging Hermans verder, ‘zou ik u een vraag willen stellen.’ Hij refereerde aan een televisieoptreden voor de VPRO, enkele weken eerder. ‘Daarover schijnt nogal wat rumoer te zijn ontstaan.’ Krantenknipsels die hem onder ogen kwamen, gaven ‘óf een geheel verkeerd, óf een zeer onvolledig beeld’ doordar geen enkele journalist ‘op het idee is gekomen mij op te bellen, om mijn visie te vernemen.’ 

De vraag was of Het Vrije Volk hierover ook had bericht en zo ja, of ik hem dan knipsels of kopieën zou willen sturen.

‘Inderdaad hebben ook in Het Vrije Volk enkele stukjes gestaan over uw televisie-optreden,’ antwoordde ik, ‘en, inderdaad, is onze radio- en televisieredacteur Ale van Dijk [1932-2005] evenmin als zijn collega’s van andere kranten op het idee gekomen om u op te bellen. […] Op 6 november haalde u zelfs de voorpagina in een rood kader. Van de krant van 10 november kon ik nog een exemplaar achterhalen, van de stukjes die op 6 en 7 november zijn verschenen stuur ik u fotokopieën. Met uw verschijning op de televisie heb ik mij overigens uitstekend geamuseerd. Ik heb bewondering voor de manier waarop u al in de eerste minuut de leiding van het gesprek overnam, waarna de voorzitter er gedurende de gehele uitzending voor spek en bonen bij zat.

Naar uw visie op de gang van zaken ben ik, ook – of misschien: juist  als journalist, wel nieuwsgierig. […] Als u van mening bent, dat ook in Het Vrije Volk over ‘De Letteren’ een onjuist of verre van volledig beeld is gegeven, dan wil ik dat graag corrigeren.’

Waarna ik Hermans nog eens herinnerde aan een eventuele bibliofiele uitgave. Stroop smeren en ijzer smeden: nu ik de brief nalees, doe ik dat niet zonder gêne, ook omdat de schijn kan ontstaan dat belangen verstrengeld raakten. Maar ik was ambitieus, als journalist én als uitgever, en Hermans, de grootste schrijver van Nederland, zocht een podium om zijn kant van het verhaal over de tumultueus verlopen televisie-uitzending te vertellen. Ik kon hem dat podium bieden.

Hermans greep zijn kans en stuurde mij een brief van twee A4’tjes waarin hij de gang van zaken uiteenzette, maar niet dan nadat hij had geconstateerd: ‘Maar, ik moet u met smart bekennen dat Het Vrije Volk, waarin mijn bewonderaar Frank van Dijl de literaire kritiek bedrijft, wel de kroon spant wat leugenachtigheid betreft. Had u dit niet kunnen voorkomen?’

4.

Waarom ik pas op 22 december op dit uitvoerig schrijven antwoordde, weet ik niet. Ik was dat weekend bij Leo Vroman in New York geweest en misschien had de post er – feestmaand nietwaar? – langer over gedaan dan normaal om de brief die op de elfde in Parijs was gepost in Dordrecht te bezorgen. Hoe dan ook, ik schreef Hermans: ‘Helaas moet ik [op de vraag of ik had kunnen voorkomen dat Het Vrije Volk de kroon spant wat leugenachtigheid betreft] ontkennend antwoorden. Ik heb de berichten in kwestie pas gelezen toen ze al in de krant stonden.’

‘Wanneer een literator op de televisie verschijnt,’ zette ik in mijn brief uiteen, ‘wordt niet de literatuurredacteur er op af gestuurd, maar de radio- en televisieredacteur, die erg veel weet van radio en televisie, maar des te minder van literatuur. […] Net zo min als in het onderhavige geval de radio- en televisieredacteur op het voor de hand liggende idee kwam om u op te bellen, kwam hij op de gedachte om mij te raadplegen, of zelfs maar om mij te waarschuwen. Ik schaam mij ervoor dat nu juist u moest worden getroffen door dit langs elkaar heen werken.’

Dat ik hier een te grote broek aantrok, valt af te leiden uit het vervolg, waarin ik ‘de diepere oorzaak’ meende te kunnen aanwijzen in ‘de opvatting van de hoofdredacteur [Herman Wigbold (1925-1998)] dat literatuur niet iets is waarvoor je een volledig redacteur in dienst zou moeten hebben. Ik ben dus niet een literatuurredacteur, maar een redacteur met een nauwelijks omschreven functie, die de helft van zijn tijd besteedt aan literatuur en de andere helft aan andere zaken. In de praktijk komt er van deze constructie natuurlijk niets terecht. Eigenlijk ben ik altijd op het verkeerde moment met het verkeerde bezig, of hoe zeg je dat. ’t Is niets anders dan misplaatste zuinigheid, onderschatting van je eigen redactie en niet te vergeten onderschatting van je eigen lezers.’

Zo klaagde ik nog even door om te eindigen met: ‘U weet nu hoe het komt dat Het Vrije Volk in negatieve zin de kroon spant. Als u prijs stelt op een rechtzetting, wil ik die graag voor mijn rekening nemen; ik zou dan kunnen citeren uit uw brieven van de elfde en de twaalfde.’

Dat is precies wat ik, na verkregen toestemming daartoe, deed in een stuk dat door omstandigheden pas eind januari een plek in de krant vond. Twee weken eerder had ik aandacht besteed aan het jubileumnummer van Tirade dat geheel gewijd was aan Willem Frederik Hermans, maar in de verste verte niet op een eerbetoon leek. ‘Hopelijk heeft Het Vrije Volk zijn slechte beurt hiermee, zij het aan de late kant, goedgemaakt,’ schreef ik in de brief die de knipsels richting Parijs begeleidde. Hermans antwoordde: ‘Ik hoop dat ook de VPRO nu “De waarheid over Hermans en De Letteren” onder ogen zal krijgen. Dit zou toch zo’n weldaad voor deze omroeporganisatie zijn!’ Anderhalf jaar later nam Hermans beide knipsels op in het supplement van Mandarijnen op zwavelzuur.

Intussen was de boekbinder klaar met mijn tweede uitgave, het al genoemde Philosophische psychologie van de kunst van Leo Vroman. Toen ik bij Vroman was in Brooklyn, New York, vroeg ik hem om het exemplaar met het nummer XI aan Hermans op te dragen. Ik weet niet meer hoe die opdracht luidde. Toen ik het boek naar Hermans stuurde, schreef ik in de begeleidende brief: ‘Ik hoop maar dat u zich van zijn woorden op blz. 90 niets aantrekt en het boek toch wilt lezen.

En natuurlijk hoop ik dat ik ook eens zo’n mooi boek (al zeg ik het zelf) mag maken met werk van u.’

5.

Het duurde een maand voordat er bericht uit Parijs kwam. Hermans liet mij weten: ‘Mijn dank voor het boek van Vroman dat keurig gezet is en met zorg uitgevoerd.

Wat nu uw vraag betreft, ik heb op het ogenblik een nieuw verhaal gereed, dat aan het eind van dit jaar in een gewone uitgave bij de Bezige Bij zal verschijnen. Maar misschien kunt u er vóór het zover is, alvast een bibliofiele editie van maken.’

Ik zal een danspasje hebben gemaakt, misschien gepaard gaand met juichkreten, ik stel me voor dat de hond verbaasd opkeek en dat de kat van schrik uit de vensterbank viel. Waarschijnlijk stak mijn toenmalige echtgenote het hoofd om de deur om te zien of ik wel in orde was. Zij volgde mijn uitgeversactiviteiten met gemengde gevoelens. Als redacteur bij Het Vrije Volk verdiende ik weliswaar een niet onaardig salaris dat ik met schnabbels links en rechts nog wat kon aanvullen, maar een vetpot was het niet en we wilden ook leuk leven.

Van het gedichtendoosje van Jan Eijkelboom waren bij verschijnen alle 120 exemplaren verkocht. Ik had er een bescheiden winst op gemaakt die ik had gestoken in Vroman’s jeugdwerk, maar van de 120 exemplaren daarvan waren er nog veel onverkocht. Ik denk niet dat ik met deze uitgave quitte heb gedraaid. Tegenover mijn vrouw deed ik daar luchtig over. Die boeken raakte ik heus wel kwijt, reken maar, zeker als ik straks ook van Willem Frederik Hermans een prachteditie had uitgegeven, want dan wilde iedereen Dijl’s Bibliofiele Bibliotheek compleet hebben.

Ik denk dat ik het zelf geloofde. 

Over de voorwaarden die Hermans al meteen in zijn brief had geformuleerd, deed ik er discreet het zwijgen toe. Dit was nu eenmaal een zaak tussen uitgever en auteur.

Niet alleen mijn vrouw hield mijn bezigheden argwanend in de gaten. Ik hoorde dat de directeur van Het Vrije Volk had lopen brommen over mijn ‘bedrijf’ en het verzuim om mijn activiteiten binnen Dijl’s Uitgeverij aan te melden bij de hoofdredactie. Ik schreef hem zonder al te veel ontzag voor zijn positie: ‘Het woord “bedrijf” duidt er al op dat de verwachtingen aangaande een en ander nogal overspannen zijn. In bescheiden mate ben ik verzamelaar van bibliofiele uitgaven. Deze hebben de eigenschap zeldzaam en dus nagenoeg onbetaalbaar te zijn. Door zelf dergelijke boeken te maken op kostendekkende basis bedien ik niet alleen een beperkte groep medeliefhebbers, maar ook mezelf.’

Zelf dacht ik niet dat het uitgeven van schrijvers over wie ik ook in de krant schreef, kon leiden tot belangenverstrengeling – ik schreef natuurlijk niet over mijn eigen uitgaven en vroeg ook niet aan collega’s om dat te doen. Toen het NOS-televisieprogramma Op Zicht mij thuis kwam interviewen, werd ik in een stukje met foto op de Dordtse pagina van Het Vrije Volk opgevoerd als ‘uitgevertje’. 

Dat verkleinwoord deed zeer. 

6.

Wat Hermans mij in die plezierige brief schreef: ‘Een dergelijke editie zou, stel ik me voor, evenals het boek van Vroman in Monotype moeten worden gezet (maar liever niet uit de Times, die een typische tijdschriftletter is) en bij dezelfde firma gedrukt, op mooi papier.

Als u er 50 à 75 exemplaren van zoudt maken, die in halfleer zouden worden gebonden, zoudt u die, denk ik, snel kwijtraken, ook al zou de prijs natuurlijk zeer hoog moeten zijn, f 450 of zo.

De wijze van binden is van belang. Cornamona Pers was de 25 in halfleer gebonden exx. van de gedichten van Milosz ogenblikkelijk kwijt, maar van de exx. in linnen zijn er geloof ik nog een paar over. 

Het boekje Dood en Weggeraakt dat Ziggurat in 50 exx. heeft uitgegeven en dat 7500 Bfr. kostte, was ook in een paar weken uitverkocht.

Wat mijn verdere voorwaarden betreft, ik vraag en krijg voor dergelijke uitgaven een royalty van 20% en vijf presentexemplaren (dit mogen exemplaren hors série zijn). Alle exemplaren worden door mij genummerd en gesigneerd. Het honorarium wordt in twee termijnen uitbetaald: de helft na inlevering van de kopij en de tweede helft na de signering.

Dit is zo het voornaamste. Voelt u ervoor, dan kan ik u het verhaal onmiddellijk sturen, zodat u niet in tijdnood komt. Het heeft ongeveer dezelfde omvang als Filip’s Sonatine en is zeer spannend. Wilt u me, ook als u het niet kunt doen, zo snel mogelijk berichten?’

Duidelijk.

Stel 450 gulden per boek, dan is daarvan 90 gulden voor de auteur. Blijft over 360 gulden voor papier, drukken, binden, tamtam maken, overige onkosten, winst. Koortsachtig sloeg ik aan het rekenen. De helft van het honorarium bij inlevering van de kopij… bij vijftig exemplaren was dat een bedrag van 2250 gulden.

Bij Wolwevershaven en Philosophische psychologie van de kunst kon ik ermee volstaan de auteur te honoreren met een aantal exemplaren van de bibliofiele editie. Evenzo de maker van de lithografie bij de gedichten van Eijkelboom, de fotograaf die het portret op het stofomslag van het boek van Vroman ter beschikking stelde, de kunstenaar die op zijn handpers de houtsnede van Vroman drukte, de andere kunstenaar die de illustraties die de tekst opluisterden clichéklaar maakte: zij allen stelden zich tevreden met een honorarium dat bestond uit een of meerdere exemplaren van de uitgave waaraan zij uit vriendschap hadden meegewerkt. (Dank nog Henri van Nes, Pieter Vandermeer, Ron Gennisse, Theun Okkerse.) 

Met mijn derde auteur betrad ik een andere wereld, waar ik toch ook een beetje schrik voor had. Straks werd Dijl’s Uitgeverij tóch nog een bedrijf. Natuurlijk ging het om schoonheid, maar geld speelde hier ook een rol. Kon ik in dit spel mee? Kon ik zomaar 2250 gulden overmaken naar Parijs zonder dat het mijn vrouw opviel? Zou de bank of welke bank dan ook mij überhaupt krediet verlenen?

Ik was blij, ik had mijn gedroomde schrijver binnen.

Ik liet hem weten dat ik hoopte hem voor het einde van de maand te kunnen berichten of ik het verhaal op zijn voorwaarden kon uitgeven. ‘Helaas is de verkoop van het boek van Leo Vroman tot dusverre beneden de verwachtingen gebleven, waardoor ik een bank heb moeten vragen om mijn uitgeversactiviteiten te financieren. (Vandaar dit vertraagde antwoord.) Komen wij (d.i. de bank en ik) tot overeenstemming, dan kan ik aan uw voorwaarden voldoen en lijkt mij de weg vrij voor een prachtige uitgave.

Ik zou u intussen wel willen vragen, of u eventueel akkoord kunt gaan met betaling van het honorarium in drie i.p.v. twee termijnen: een derde na inlevering van de kopij, een derde na de signering en een derde een maand na het verschijnen van het boek.’

7.

Gelukkig was Dordrecht een kleine stad. In de kunstenaarssociëteit Pictura kwam je iedereen tegen, zo ook de directeur van het plaatselijke filiaal van de voorname Banque de Paris et des Pays Bas. Ik vroeg en kreeg belet – en krediet.

Toen dat formeel geregeld was, kon ik Hermans van mijn opluchting blijk geven: ‘Er staan dus wat mij betreft geen belemmeringen meer in de weg om uw verhaal in bibliofiele editie uit te geven.

Ik wil u voorlopig voorstellen het boek in 85 exemplaren uit te geven: 75 voor de handel, 5 voor u en 5 voor mij. De prijs die u in uw brief van 10 maart zoemt, f 450, lijkt mij niet onredelijk; eventueel kunnen we er misschien iets onder of boven gaan zitten. Ik laat de boeken met de hand binden in halfleer. Het is misschien mogelijk om voor een zeer beperkt aantal liefhebbers die bereid zijn een bepaalde meerprijs te betalen enkele exemplaren in heel leer te laten binden.

Wat dacht u van de Bembo als tekstletter? Strak, duidelijk en voornaam, met als enig nadeel misschien dat zij nogal in de mode is. Als dat voor u geen bezwaar is, en als de zetter haar in Monotype heeft, zou ik deze letter graag gebruiken. Een mogelijk alternatief is misschien de Baskerville, hoewel ik haar cursief aan de aanstellerige kant vind, met al die nuffige krullen en zo. Voor het papier denk ik aan Vergé Arches, 120 grs; ingesloten een monster. Het bestaat ook in wit, waar mijn voorkeur naar uitgaat; daarvan heb ik echter geen voorbeeld voorhanden. Over het formaat van het boek en, daarmee samenhangend, het lettercorps kan ik pas mededelingen doen nadat ik het verhaal heb ingezien en me een voorstelling heb kunnen maken van de omvang.

Een definitief voorstel voor wat de uitvoering betreft kunt u van mij verwachten nadat ik uw manuscript heb ontvangen. Ik wil mijn uiterste best doen om het boek nog voor de zomer te laten verschijnen.’

De teerling was geworpen. 

Het antwoord vanuit Parijs kwam een week later in een langwerpige envelop met vijf postzegels ter waarde van 5,50 frank, vier keer gestempeld, en een sticker ‘LETTRE’. In de envelop staken een brief en het manuscript, althans een doorslag daarvan.

Voor het eerst zag ik dat het verhaal Geyerstein’s Dynamiek heette. ‘Weduwe op je achtentwintigste jaar… Twee eeuwen geleden kwam het algemeen voor, maar in 1981 kon dit haast alleen maar betekenen dat je door een zeldzaam ongeluk getroffen was.’ Zo luidde de eerste alinea. Ik begon te lezen.

Het manuscript bestond uit eenentwintig vel plus een titelblad. De vellen waren genummerd 1 tot en met 20, maar na vel nummer 10 was een vel nummer 10 a ingevoegd. Van 10 was het onderste deel afgeplakt, van 10 a het bovenste, maar door de doorzichtigheid van het papier was de afgeplakte tekst te lezen. Met enig puzzelen liet zich reconstrueren dat de schrijver veertien regels had toegevoegd. Ook kon ik zien dat de opdrachtgever van Carolien, de directeur van De Vedelboog die vier keer met name wordt genoemd, oorspronkelijk Klementinowitz heette. Over die naam waren strookjes met de naam Bosheurne geplakt. Verder waren met de hand tal van doorhalingen, wijzigingen en aanwijzingen aangebracht.

In zijn brief ging Hermans meteen in op de zakelijke kant van onze samenwerking: ‘Naar ik aanneem zijn uw financiële problemen nu opgelost, ook al omdat, zoals ik vernam, De Bezige Bij bereid is in de zetkosten te delen.

Ik veronderstel dan ook dat u nu mijn oorspronkelijke voorstel zult kunnen aanvaarden.

U publiceert Geyerstein’s Dynamiek in een oplage van maximaal 75 genummerde en gesigneerde exemplaren + 10 exx. h.c., die in halfleer of leer gebonden zullen worden.

Auteur ontvangt een royalty van 20 procent, berekend van de kleinhandelsprijs incl. BTW. Deze prijs bedraagt (voorlopig) circa f 450.

Auteur ontvangt 5 present-exx. hors commerce.

Het honorarium wordt als volgt betaald: circa een derde na inlevering van de kopij, twee derden bij de signering, wanneer de kleinhandelsprijs nauwkeurig vastgesteld zal zijn. Van dit laatste bedrag kan eventueel een deel in natura (extra-presentexemplaren van de genummerde oplage) worden voldaan.

Ik heb de indruk dat ik u op deze manier niet het vel over de neus haal.’

Hij noemde het papiermonster dat ik hem had gestuurd fraai, ‘maar, zoals u zelf trouwens ook, geef ik de voorkeur aan wit’, en over het lettertype schreef hij dat het hem verstandig leek ‘zo mogelijk hetzelfde lettertype te kiezen als waarin Filip’s Sonatine en Homme’s Hoest zijn gezet.’

Verder schreef Hermans: ‘Het is van belang de colophon zo zakelijk mogelijk op te stellen. Ik hecht er wel aan deze tekst te mogen beoordelen, alvorens zij wordt afgedrukt. (Sommige uitgevers maken er – en daar bedoel ik u niet mee – een dolle boel van, zoals de ervaring me geleerd heeft.)

Op rug en titelblad moet de auteursnaam zijn: Willem Frederik Hermans, niet W.F. Hermans.’

Om weer zakelijk te eindigen: ‘Ik zend u deze brief in tweevoud. Wilt u, als u ermee accoord gaat, hiervan een exemplaar tekenen en aan mij terugzenden. En wilt u f 2250 storten op mijn rekening No 650 059 D, au nom de Willem Hermans, Paribas, Agence St-Honoré, 260 rue du Fbg St-Honoré, 75017 PARIS?’

Aan het werk!

8.

Er moest nu van alles tegelijk gebeuren. Ik las het typoscript en liet me vervoeren door Carolien, de weduwe van 28. De doofstomme chauffeur, ‘mager als de dood’, in een zwarte Bentley, de zevenentachtig jaar oude kunstenaar Paco Geyerstein, schepper van een ‘illusieloos oeuvre’, het door hem ontworpen huis waaraan alles scheef is, de ontmoeting met de pers die de allure aanneemt van een orgie. Een surrealistisch verhaal met een onheilspellend einde. Aan De donkere kamer van Damokles refereren de onhandige pogingen van Carolien om foto’s te maken: de flitser weigert, ze vergeet het filmpje door te draaien.  

Zoals gevraagd stuurde ik de kopie van Hermans’ brief voorzien van mijn handtekening retour en gaf ik mijn nieuwe, chique bank opdracht om het overeengekomen bedrag op de aangegeven rekening te storten.

Ik maakte afspraken met Geuze & Co, een van de laatste drukkers in Nederland die nog met loodzetsel werkten en, prettig voor mij, bijna bij mij om de hoek huisde. Filip’s sonatine en Homme’s hoest waren beide gezet uit de Aldus Linotype door de firma Tulp in Zwolle. ‘Ik zal onderzoeken of het mogelijk is de tekst door Tulp te laten zetten en het boek vervolgens door Geuze te laten drukken,’ schreef ik Hermans, maar in zijn beknopte antwoord van vier dagen later herinnerde hij mij eraan dat ‘wij immers afgesproken hebben dat het boekje in monotype gezet zal worden en gedrukt door Geuze.’ Het ging er nu dus niet meer om dat ik het zetwerk van Tulp zou overnemen, maar dat ik De Bezige Bij ervan moest overtuigen dat die het zetwerk van Geuze zou gebruiken.

Ernst Nagel van De Bezige Bij deed daar niet moeilijk over, hoewel hij dus een andere letter kreeg dan die waaruit de andere deeltjes van de novellenreeks waren gezet. Aan Hermans schreef ik: ‘Zoals u weet is mijn brief van 24 april inmiddels gedeeltelijk achterhaald. Om het telefonisch besprokene samen te vatten: de tekst van Geyerstein’s Dynamiek wordt, in gezamenlijke opdracht van De Bezige Bij en mij, gezet uit de Monotype Bembo door Geuze & Co. te Dordrecht en door deze firma in de eerder genoemde oplage van 85 exx. gedrukt. Ik verwacht u de eerste zetproeven over plm. 2 weken te kunnen sturen.’ 

Ik zou over het zetsel kunnen beschikken nadat er barietafdrukken van waren gemaakt aan de hand waarvan drukkerij Tulp het boek in offset voor De Bezige Bij zou drukken.

Als papier koos ik 110 grams Hollands Druk Vergé met watermerk van Van Gelder Zonen dat Hermans ook ‘heel mooi’ vond. Hij had me intussen een verbeterd manuscript toegezonden, het andere stuurde ik op zijn verzoek terug. Op 20 mei kreeg ik nog ‘een blad met kleine correcties en een nieuwe bladzijde 20, die de oude moet vervangen’. Correcties en vervangende bladzijden waren getypt op stukken afgeknipt of afgescheurd telexpapier.

Het zetten en het corrigeren van de zetproeven werd gecoördineerd door Alice Toledo, Hermans’ vaste redacteur bij De Bezige Bij. Op 24 mei schreef ik haar dat het zetwerk bij Geuze in volle gang was. ‘Ik ben maar zo vrij geweest om ze de nieuwe bladzijde 20 te geven, het zou onzin zijn als ze de inmiddels achterhaalde kopij voor niks zouden zetten. De overige correcties [die Hermans mij stuurde] kunnen misschien beter in de proef worden aangebracht, of niet, dat moet Ernst maar beslissen.’ Als ik de voorgestelde correcties vergelijk met de tekst in het boek, moet ik vaststellen dat enkele wel en enkele niet zijn uitgevoerd. 

Hermans gaf me ook het adres en telefoonnummer van David Simaleavich, de boekbinder die hij eerder aan de telefoon al had genoemd en ‘die dat mooie boekje voor Hemmink gemaakt had, zoals ik u vertelde’. Hemmink was Gert-Jan Hemmink (1947) die ik kende als de man die bij uitgeverij De Arbeiderspers de contacten met de pers onderhield. Als bibliofiel verzamelaar kende hij veel kleine uitgevers, privé-drukkers en boekbinders. Wellicht was ‘dat mooie boekje’ waar Hermans over schreef ‘het ex. dat Simaleavich van Hollywood gebonden had’.

Hermans in dezelfde brief: ‘Het meest houd ik van een in half leer gebonden boek, als de hoeken niet alleen van leer zijn, maar verbonden door een leren strookje – de juiste technische benaming hiervoor wil me helaas niet te binnen schieten. Maar ik bedoel dit: 

Volgde de opmerking over Hollywood en de zin: ‘Als papier Frans gemarmerd is uitstekend.’

Ik had al contact gezocht met een boekbinder in Rotterdam die ook voor mijn collega-bibliofiel uitgever Pablo van Dijk (1956) van Bébert werkte, maar toen ik eenmaal een afspraak had gemaakt met Simaleavich en zijn werk had gezien, wist ik dat hij de bibliofiele editie van Geyerstein’s Dynamiek zou binden. Nooit eerder had ik zulk fijn bindwerk gezien.

David Simaleavich (1952) was een Amerikaan die in 1974 naar Amsterdam was geëmigreerd. Binnen enkele jaren ontwikkelde hij zich tot handboekbinder extra-ordinaire. In 1981 vestigde hij zijn Binderij Phoenix in de 2e Leliedwarsstraat in Amsterdam. Tot hij in 1991 terugkeerde naar de Verenigde Staten was hij een niet weg te denken factor in de wereld van de Nederlandse bibliofilie. Onder de naam Phoenix Editions gaf hij ook zijn eigen bibliofiele edities uit.

Over hoe Geyerstein’s Dynamiek zou worden gebonden, waren we het snel eens. Zoals gezegd kon Hermans zich vinden in mijn voorstel halfleer met Frans handmarmerpapier. Zo zou de ‘gewone’ editie – gekscherend spraken we van de ‘volkseditie’ – worden uitgevoerd. Voor de luxere exemplaren opperde David halfleer en perkament, een voorstel waarmee Hermans en ik instemden.

Hermans keurde mijn tekst voor de folder goed en stuurde me een foto die zijn zoon Ruprecht had gemaakt. Die foto vormde de achtergrond van de tekst waarin beide uitvoeringen werden aangekondigd. ‘Hoeveel exemplaren er volgens uitvoering I [perkament] zullen worden vervaardigd, wordt op dinsdag 22 juni 1982 om 12.00 uur vastgesteld aan de hand van het aantal op dat moment bestelde en betaalde exemplaren.’

9.

Papier, typografie, zetwerk, drukwerk, bindwerk – eind mei-begin juni werd er in Amsterdam en Dordrecht volop gewerkt aan de totstandkoming van de bibliofiele uitgave van Geyerstein’s Dynamiek. In Parijs had Hermans de eerste drukproef gecorrigeerd en naar De Bezige Bij gestuurd. ‘Het zou mij aangenaam wezen als de signering omstreeks 6 juli kon plaats vinden, maar misschien is dat te vroeg.’

Intussen kon ik Hermans schrijven: ‘Over de verkoop heb ik voorlopig niet te klagen. Vreemd genoeg loopt de dure editie tot op heden beter (23 exx) dan de minder dure (10 exx). Een stukje in de Volkskrant van woensdag leverde zes intekenaars op.’

Toen was al wel duidelijk dat 6 juli, de datum die we in een vroeg stadium hadden aangehouden voor het signeren, niet haalbaar was. Pas op 30 juni stuurde David Simaleavich me de monsters van het leer en het gemarmerd papier. Ik had hem twee dagen eerder een voorschot van 5000 gulden betaald. ’We mogen van geluk spreken dat de kleur leer op het ogenblik leverbaar was, maar ik heb het via een Duitse leverancier moeten bestellen (vakanties en zo). Dit heeft wel enigszins invloed op mijn offerteprijs (oorspronkelijk f 85-90, nu f 95-100). Hopelijk levert dit geen problemen op: overmacht, je kent dat wel!

Met een beetje geluk heb ik de marmers over ongeveer drie weken in huis. […] 

Trouwens, ik heb via-via gehoord dat W.F. Hermans verwacht dat de boeken 21 juli klaar zullen zijn, over drie weken dus.’

Dat was inderdaad de nieuwe datum die ik had gesuggereerd: ik had die datum laten opnemen in het concept-colofon dat ik Hermans ter inzage stuurde. ‘Misschien wilt u mij enkele dagen opgeven tijdens welke u zeker in de gelegenheid bent om de boeken te signeren.’ Maar gezien de vertraging oplopende leveranties van leer en papier, moest ik Hermans enkele dagen later schrijven: ‘Ik ben bang dat ik wat te optimistisch was toen ik 21 juli noemde als datum waarop u de boeken zou kunnen signeren. […]

Maandag [5 juli] wordt het zetsel naar de revisie “schoongemaakt”, zodat – redelijkerwijs – dinsdag en woensdag de barieten voor De Bezige Bij moeten kunnen worden gemaakt; donderdag en vrijdag ben ik dan aan de beurt. Dit betekent dat David Simaleavich niet voor 12 juli aan de slag kan. In het colofon heb ik als signeerdatum in elk geval 31 juli laten opnemen, in de hoop dat u dan in de gelegenheid bent om het karwei te klaren. Er is natuurlijk wel wat speling van enkele dagen.’

Speling die we hard nodig hadden. In een brief aan Simaleavich kon ik melden dat ‘de drukker een dag eerder klaar [was]; als het meezit brengt de bode de vellen al donderdag [15 juli].’

Voor de goede orde gaf ik de juiste maten door:

kopwit 2,5 cm

paginaformaat 14,5 x 23,5 cm

    • zijwit 3,5 cm
    • staartwit 7 cm.
    • ‘Er zijn zeven katernen, zes van 8 en 1 van 12 bladzijden. In het laatste geval, pp. 49-60, moeten vier bladzijden worden ingestoken. Dat wijst zich allemaal vanzelf. Omdat de drukker aanleg nodig had, was het niet mogelijk de schepranden te bewaren. Veel belang hecht ik hier niet aan, het is immers allemaal maar kunstmatig. Zodoende heb je aan alle kanten wat snijruimte.

De drukker stuurt je 95 complete sets, zodat je de beste kunt uitzoeken. Wat je overhoudt, krijg ik wel terug. Een model voor jezelf mag je er wel afhouden.

Zodra ik terug ben van vakantie, bel ik je om te vragen hoever je bent. Dat zal omstreeks eind juli zijn. Met Hermans heb ik definitief 16 augustus als signeerdatum afgesproken, de week daaraan voorafgaand zou ik dus wel over de boeken willen beschikken.’

Het werd uiteindelijk 16 augustus 1982 dat ik met enkele dozen met boeken bij Hermans thuis aanbelde. Hij had de smalle rue Théodule Ribot waar ik hem eind ’78 had bezocht, verruild voor de ruimere avenue Niel, met zijn bomen aan weerszijden van de rijbaan een groene long in het zeventiende arrondissement van Parijs. 

Ik weet niet meer waar ik de auto parkeerde en evenmin of ik alle boeken in één keer heb kunnen tillen, evenmin weet ik nog op welke verdieping Hermans en zijn vrouw woonden, wel herinner ik me een ruim appartement waar ik allerhartelijkst werd ontvangen. Net als toen ik hem bijna vier jaar eerder was komen interviewen, was ik zenuwachtig, maar op een prettige, zoete manier. Toen was ik nog maar net 27 en maar al te bekend met zijn reputatie om journalisten bij de eerste de beste hem onwelgevallige vraag de deur te wijzen, nu was ik ruim 30 en bezocht ik hem in een veel minder afhankelijke hoedanigheid. In het exemplaar van Hollywood dat Hermans mij meegaf, helaas niet ingebonden door David Simaleavich maar zoals de rest van de oplage gewoon geniet, schreef hij op de titelpagina: ‘dit exemplaar is van mijn uitgever Frank van Dijl’. (Of had ik het boekje zelf antiquarisch gekocht en meegebracht om het te laten signeren? Op de Franse titelpagina staat met potlood een mij niets zeggende omcirkelde ‘P’, daarnaast ’40,-‘.)

Had ik in de rue Théodule Ribot nog nuffig het aangeboden glas champagne afgeslagen omdat ik toen meende ‘dat het beter was om geen alcoholica te nuttigen tijdens het gesprek’, nu moest er natuurlijk een toost worden uitgebracht op de voltooiing van ons gezamenlijke project. Ik maakte de dozen open en overhandigde Hermans een exemplaar van elk van beide uitvoeringen. Toch weer een spannend moment, maar zijn gezicht straalde van genoegen toen we elkaars glas aantikten.

10.

Nadat Hermans alle boeken had gesigneerd, serveerde zijn vrouw een heerlijk diner waar we nog meer wijn bij dronken. Toen het tijd werd om mijn hotel op te zoeken, gaf Hermans me de Avenue van een maand eerder mee met daarin zijn verhaal ‘De toverkracht van Wetzlar’ over de camera’s van Leica en Lotte die het hart van Goethe in vuur en vlam zette. Door een stripwolkje liet hij het model op de cover zeggen: ‘voor Frank van Dijl van W.F. Hermans Parijs 16 aug ’82’.

Pas nu weet ik dat Hermans Geyerstein’s Dynamiek eind 1981 al aan Avenue had aangeboden. Voor het tijdschrift was het verhaal te lang en Hermans kon zich niet vinden in de gecomprimeerde versie die de redactie voorstelde, waardoor dat feest niet doorging.

De auteursexemplaren en de drie luxe exemplaren die Hermans voor eigen rekening had afgenomen bleven natuurlijk in Parijs, zodat ik de volgende dag met zo’n tachtig genummerde en gesigneerde boeken (plus een exemplaar ‘zonder nummer, geheel speciaal voor de begaafde binder David Simaleavich van W.F. Hermans [en in mijn handschrift mijn naam]’, exemplaar dat thans is het bezit is van een van de samenstellers van dit boek) naar huis terugkeerde. Alle exemplaren in perkament waren verkocht, van die met platten van Frans marmer waren er nog maar een paar over, zoals nummer 48 dat in 2021 488 euro zou opbrengen.

Bij de grens tussen Frankrijk en België zat ik even met het zweet in mijn handen. Stel je voor dat ik zou worden aangehouden. Van vrij vervoer van goederen en personen was in 1982 nog geen sprake en de Franse douane stond niet bekend als zachtmoedig. In de achterbak van de leaseauto waar ik als verslaggever van Het Vrije Volk over beschikte, lag voor 38.750 gulden aan handelswaar. Ik gaf het niet graag toe, maar de directeur van de krant begon gelijk te krijgen: bij dit soort bedragen moest je zo langzamerhand wel van ‘bedrijf’ spreken. Als ik nu werd aangehouden en in- of uitvoerrechten of hoe het heette moest betalen, kon ik mijn sluitende begroting (en mijn marge) wel vergeten. Maar ik kon doorrijden, bij de Belgisch-Nederlandse grens hetzelfde.

Misschien bracht het feit dat ik op de uitvalsweg van Parijs naar het noorden iemand die naar Denemarken moest een lift had aangeboden geluk – wie weet?

Mijn leasewagen moest ik het jaar daarop inleveren, omdat de directeur van de krant vond dat je voor het bespreken van boeken geen auto nodig hebt. In datzelfde jaar eindigde mijn huwelijk in een scheiding, niet per se alleen omdat ik het geld dat ik met Geyerstein’s Dynamiek had verdiend in een volgend, nu weer verliesgevend project had gestoken.

Als journalist ben ik Willem Frederik Hermans nog vaker tegengekomen, de laatste keer in 1994 toen hij in Amsterdam werd ondervraagd door Theo van Gogh, maar ook in 1991 toen Hella S. Haasse met hem sprak in Vlissingen en in 1987 toen een bommelding zijn lezing in De Balie onderbrak. 

‘Maar daar heb je mijn uitgever,’ zei hij toen hij zich in het gezelschap van zijn vrouw en enkele vrienden naar het nabijgelegen Marriott Hotel begaf, terwijl de politie in De Balie naar bommen en granaten zocht. ‘Loopt u mee?’

Frank van Dijl

Deze tekst werd enigszins ingekort opgenomen in Hermans honderd, het gedenkboek dat op 1 september 2021 verscheen bij Uitgeverij IJzer. De uitvoeriger versie heb ik deze zomer zelf uitgegeven in een oplage van 85 exemplaren die alle bij voorintekening zijn verkocht. De foto hierboven, die ook het omslag siert, werd op 4 november 1977 gemaakt door Niels van der Hoeven van Het Vrije Volk bij de uitreiking van de Prijs der Nederlandse Letteren aan Willem Frederik Hermans door koning Boudewijn te Brussel. Ik ben de Erven Hermans en Raymond Benders van het Willem Frederik Hermans instituut dank verschuldigd voor hun toestemming om uit de brieven van Hermans te citeren.

 

 

1