want ik ben het zat om enkel een fusie te zijn

In zijn zesde poëziebundel is daar iemand schrijft Micha Hamel over een lyrisch ik dat in een psychotische crisis verkeert en wordt opgenomen in een psychiatrische kliniek. Dat lyrisch ik ís Micha Hamel, staat er zonder omhalen op de achterflaptekst: hij maakte dit mee in 2009. De tijd die er inmiddels overheen is gegaan, moet hij gebruikt hebben om de juiste woorden te vinden. Want wat komen de woorden aan.

luister

laat mijn cellen genereus worden teruggegeven
op het altaar van de tijd
want ik ben het zat om enkel een fusie te zijn, te bestaan
uit een jij en een ik die niet te ontwarren zijn
ooit was ik zone en ik wil mijn zone terug
ook als zij veranderd is

dit is het verhaal dat jij moet horen
ik stapte door een vlies
en de stilte viel als een mantel op de grond
en ik stond in het razen van de eerste tijd waarin
mijn huid bevroor in goud en mijn aderen
zwarte barsten werden
die zwollen
en traag als zeewier slingerden door mijn arme hoofd

ik zag gezichten die schrompelden
en de omtrek van de zone werd een stippellijn

en ik was bang
bang

Zo beschrijft Hamel op schitterende wijze het ontstaan van zijn psychose, vanuit de kliniek. Het gebod ‘luister’ zorgt ervoor dat je je aangesproken voelt en de aandacht er meteen bij hebt. Hoe verder je in het gedicht komt, hoe meer je twijfelt of die ‘luister’ wel voor jou bedoeld was, of eerder voor het radeloze lyrisch ik zelf.

Enkele gedichten later zet Hamel de waarachtig overkomende beschrijving van de psychose op losse schroeven:

als ik dit vertel lijkt het alsof ik erbij was, toegewijd en wakker
maar de zone is aangetast
hele stukken zijn weggevreten
de wachters slapen of zijn dood, hun hellebaarden
liggen slordig in het rond
ik ben mezelf niet
ben niet
ik weet niet of ik in het verleden dwaal of dat ik alles heb
gedroomd
ben er niet
spookachtig broos
als iedereen

hier

Dat springen tussen droom en werkelijkheid is door ieder gedicht heen geweven. De taal van Hamel is laagdrempelig, terwijl je de beelden soms niet kan plaatsen. Steeds maar weer, bijvoorbeeld, keert er op de raarste momenten een makreel terug. Het lyrisch ik ziet dingen die er niet zijn, terwijl het beschrevene in poëzie er vaak überhaupt niet is, niet in de fysieke wereld, waardoor er soms verwarring optreedt of iets metaforisch gelezen moet worden. En dat werkt. Net zoals het niet nummeren of betitelen van de gedichten werkt. Alles gaat in elkaar over, precies zoals – jawel.

Zelden ook, heb ik zo vaak moeten lachen om een poëziebundel. Hamel buit het absurdisme van een bij elkaar gebrachte groep in de war zijnde volwassenen optimaal uit. Een avondje tv-kijken in de gemeenschappelijke ruimte van de psychiatrische kliniek blijkt een hele gebeurtenis, waarbij de lach uiteindelijk altijd wordt afgesloten met een wrang gevoel. Een zin als: ‘ofschoon ik geen delict heb begaan / ontkent mijn moeder alles’. Daar kan je eigenlijk alleen maar voor applaudisseren.

Hoe kan het anders dan dat is daar iemand afsluit met het ontslag van het lyrisch ik uit de kliniek – hoewel hij niet bepaald stabiel overkomt. En hoe kan het anders dat ook deze laatste regels weer spot-on zijn: ‘we laten je los / het laatste stukje mag je rennen’.

Martijn van Bruggen

Micha Hamel – is daar iemand. Pluim, Amsterdam. 120 blz. € 24,99.