Recensie: Ernest Becker – De ontkenning van de dood
Hein is het refrein
Dieren, planten, al wat leeft gaat dood. Het enige van al die levende wezens dat zich daar ook bewust van kan zijn, is de mens. Kan zijn en niet: is, want veel mensen doen er veel aan om hun sterfelijkheid niet te hoeven onderkennen. Sterker: de symbolische wereld van menselijke cultuur lijkt geschapen te zijn om af te leiden van het besef van de dood als definitief levenseinde en om illusies van onsterfelijkheid te scheppen.
Deze inzichten vormen het fundament onder de analyses van Ernest Becker (1924 – 1974) in De ontkenning van de dood, dat verscheen in 1973, maar nog steeds invloedrijk is. Het is een twintigste-eeuwse klassieker en daarom heeft uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep het boek, in een vertaling van Arian Verheij, opgenomen in haar Paradigma-reeks. Arnon Grunberg schreef een voorwoord.
Beckers Amerikaanse academische carrière als cultureel antropoloog en psychoanalyticus was heftig en kort. Kort omdat hij betrekkelijk laat begon en al op zijn vijftigste overleed, heftig omdat hij het op alle universiteiten waar hij werkte aan de stok kreeg met het bestuur wegens zijn principiële weigering om beperkingen van zijn academische vrijheid – en die van collega’s – te aanvaarden.
Aan elk hoofdstuk van De ontkenning van de dood gaat een motto vooraf. Het eerste daarvan komt van Otto Rank en luidt:
‘Voorlopig ben ik gestopt met schrijven. Er wordt in deze wereld al veel te veel waarheid geproduceerd, daar valt niet tegenop te consumeren!’ Waarom dan toch dit boek? Omdat Becker meende dat de tijd rijp was voor een synthese van het beste wat de menswetenschappen en dan met name antropologie, theologie en psychologie te bieden hadden. Otto Rank was daarbij voor hem een leidende figuur. Rank was medewerker van Freud geweest en had baanbrekend cultuurhistorisch werk verricht bij zijn onderzoek naar mythen en legenden. Door zijn breuk met Freud wendden velen zich van hem af en kreeg zijn werk niet de erkenning waar het recht op had en nog steeds heeft.
Freud krijgt veel aandacht in dit boek, maar bij alle bewondering verdient hij toch ook stevige kritiek, meent Becker. Volgens Freud voerde alle psychologie uiteindelijk naar seksualiteit. Maar gaat daaronder niet nog de schrik voor de dood schuil? Lichaam en geest mogen dan getekend zijn door seksualiteit met alle complexen van dien, maar de worm in ieders geest is het besef dat het lichaam eindig is. Religie en symboliek moeten de illusies scheppen dat de mens deel kan hebben aan onsterfelijkheid. Zijn scheppingsdrang moet hem niet alleen de illusie geven dat zijn bestaan objectief zin heeft, maar ook dat de betekenis daarvan de dood overstijgt.
Becker voert Søren Kierkegaard en diens dieptepsychologische, filosofische inzichten op om antwoord te geven op de vraag hoe de mens zich zou moeten verhouden tot zijn angst voor de dood. In die angst moet de mogelijkheid tot vrijheid worden gezien. Kierkegaard koppelt dat aan geloof, maar dat doet Becker niet. Die bewaart wat hij als Kierkegaards belangrijkste idee beschouwt: vrijheidsstreven begint met toelating van de twijfel en bevrijding van het harnas van karakter, dat altijd leugenachtig is.
Goden zijn symbolen van onsterfelijkheid. Helden zijn mensen die met hun daden iets goddelijks aan hun menselijkheid toevoegen. Daarom willen we allemaal helden zijn, met als goede tweede leven onder de vleugels van helden. Maar als helden goden zijn met een anus, zoals Becker het pregnant uitdrukt, wat blijft er dan van heldendom over? En wat als we het bestaan van goden niet langer erkennen, zelfs niet slechts als symbolen?
In navolging van Rank concludeert Becker dat ‘een wetenschappelijk-mythische overwinning op de menselijke beperktheid niet door de psychologische wetenschap te programmeren is. […] Voorlopig lijkt het erop dat we moeten volstaan met te proberen iets te maken van onszelf […].’ Kortom, besef dat Hein het refrein is, maar laat je niet door dat besef verlammen.
Becker schrok niet terug voor pittige sweeping statements en als hij ergens een humoristische draai aan kon geven, greep hij die gelegenheid met beide handen aan. Zo gaf hij les (zijn colleges trokken steevast volle zalen) en zo schreef hij, ook in De ontkenning van de dood.
Arnon Grunberg doet wat humor betreft zeker niet onder voor Becker en zijn voorwoord bevat menige zin met de kwaliteiten van een fraai aforisme. Nadat ik het hele boek gelezen had, bekroop mij echter het gevoel dat zijn tekst eerder een voorwoord is voor Beckers onvoltooide, postuum verschenen Escape from Evil, dan voor De ontkenning van de dood. Wat ik overigens niet als bezwaar heb gezien.
Hans van der Heijde
Ernest Becker – De ontkenning van de dood. Vertaling Arian Verheij. Voorwoord Arnon Grunberg. Athenaeum – Polak & Van Gennep. 348 blz. € 27,50.
