… alsof het één groot nu is

De grootste Nederlandse schrijver ooit is zonder twijfel Mordechai Gompertz (1947), immers slechts een haarbreedte verwijderd van een Nobelprijs. Zijn boeken, in vijfendertig talen vertaald, brengen meer geld op dan hij kan opmaken.

De Nobelprijs ‘zou hij waarschijnlijk allang hebben gekregen als hij niet zoveel over joden en zo weinig over politiek had geschreven,’ lezen we in de vijfde regel van de roman die Marcel Möring over hem schreef, Mordechai.

Maar tegen het einde van het boek van 500 bladzijden lijkt het dan eindelijk zover te zijn. De bel gaat, in de deuropening staat een verslaggever met een grote witte microfoon in de aanslag, een cameraman achter hem: ‘Gaat het vandaag gebeuren, mijnheer Gompes?’ Als Gompertz goed kijkt, ziet hij een halve cirkel van microfoons en camera’s op zich gericht. ‘Wat denkt u, mijnheer Gompes, krijgt u ‘m?’

Hij blijkt in de top drie van de bookmakers te staan. Hij wordt rechtstreeks in een radio-uitzending gebeld: ‘Topkandidaat voor de Nobelprijs… Hoe voelt dat?’ ‘Nelmezzodelcammindinostravitamiritrovaiperunselvaoscura,’ zegt hij om er van af te zijn. Liever zou hij staan in

het rijtje kanshebbers dat hem niet had gekregen: Joyce, Roth, Frisch, Boon en Claus… De Nobelprijs was zwanger van sociaaldemocratische en humanistische heilsverwachtingen en het idee dat literatuur een uitdrukking was van het tijdsgevoel. Je kon Mordechai Ephraim Gompertz van veel betichten, maar niet van dat. Hij spuugde op het idee van literatuur als een pleister voor persoonlijke of sociale kwalen.

Bovendien had Bob Dylan in 2016 de Nobelprijs voor literatuur gekregen, ‘die rijmelaar met zijn stupide metaforen’. In een talkshow was hem om een reactie gevraagd. Hij sprak van ‘rijmdwang en rijmelarij, vage quasifilosofische onzin.’

Als je hiervoor de Nobelprijs geeft, dan vraag ik me af waarom Toon Hermans die niet heeft gekregen. Als de hoogste literaire bekroning naar dit soort geklungel gaat, kun je erop rekenen dat dokter Vogel volgend jaar de Nobelprijs voor geneeskunde krijgt.

Er wordt een raam ingegooid, buiten heeft zich een groep mensen verzameld rond een spandoek waarop staat: ‘Geen prijs voor facisten’ ‘Hé, daar,’ roept hij in de richting van het groepje. ‘Fascist spel je anders.’ Niemand die het hoort, maar intussen is het opstootje live te volgen op Radio 1. Politie en brandweer komen om het huis te ontruimen na een bommelding. De plaatselijke fanfare brengt ‘dorpsgenoot Gompens’ hulde met een rafelig Wilhelmus.

De hele scène ontaardt in ware slapstick die Möring waarschijnlijk handenwrijvend van plezier heeft opgeschreven. Zoals ook de openingszin van de roman er een is om bij te gniffelen: ‘Toen Mordechai Gompertz zijn interviewer buiten westen sloeg was hij tweeënzeventig jaar oud en bevond hij zich op het toppunt van zijn roem.’

De vraag is, Mordechai Gompertz, waarom je wilt dat de rest van de wereld jou een klootzak vindt.
De stem in zijn hoofd wist het wel. Omdat Mordechai Gompertz de wereld klote vond. ‘De mens is een ezel die zich hartstochtelijk steeds aan dezelfde steen stoot,’ had hij ergens geschreven. Hij wist niet meer waar.

Dat lezen we op bladzijde 455, midden in het hilarische tafereel rond het al dan niet krijgen van de Nobelprijs. Maar al op zijn vijftiende ‘formuleerde [Mordechai Gompertz] wat het belangrijkste thema van zijn schrijverschap zou worden: de wereld was chaos en het enige wat alles bij elkaar hield was een verhaal.’ Zijn tweelingzus Judith zegt:

dat hij een verhaal meestal zo vertelde dat je dacht dat het gisteren was gebeurd, tot je erachter kwam dat het jaren geleden was. Of omgekeerd. ‘Het is alsof tijd voor jou geen betekenis heeft. Gisteren, tien jaar geleden, tweehonderd jaar geleden, het is allemaal alsof het één groot nu is.

Vandaar dus dat literatuur voor Gompertz geen uitdrukking is van het tijdsgevoel.

De opmerking van Judith gaat ook op voor Marcel Möring zelf. Hij vertelt het verhaal van Mordechai Gompertz dwars door de eeuwen heen en schakelt voortdurend van het nu naar het verleden. Hij laat zijn personages zich voorvallen uit het verleden herinneren en plaatst hen dan actief terug in de tijd, waardoor een caleidoscopisch geheel ontstaat waarin de ene associatie de andere oproept. Eén groot nu.

Ik zal proberen dat uit te leggen aan de hand van de eerste bladzijden, die beginnen met het buiten westen slaan van de interviewer. Het jaar is 2019. Möring laat de lezer kennismaken met zijn protagonist, succesvol schrijver, jaloersmakend gezond, ‘hij was de man die hij altijd had willen zijn.’ Dan een alinea over het voorgeslacht van Mordechai Gompertz ‘dat tot diep in de zestiende eeuw reikte’ en over de Oudgermaanse betekenis van de achternaam (‘de strijdlustige’), waarna het geraas na de uithaal jegens de interviewer verstomt en we ons dus weer in het nu terug zijn. Vervolgens vertelt Möring dat het interview was bedoeld als opwarmertje voor een geautoriseerde biografie waar Mordecahi’s uitgever op aandringt.

We zitten dan in ‘wat zich “bistro’ noemde maar daar niet op leek’. De volgende associatie is dat Mordechai er in de jaren zestig voor verantwoordelijk was geweest ‘dat overal in Nederland fietsenstallingen en garages werden opgebouwd tot restaurant’ met geblokte kleedjes en druipkaarsen en al doordat hij in Avenue verslag had gedaan van het Parijse uitgaansleven. Dan wordt eraan herinnerd dat het een keer bijna tot een handgemeen kwam tussen Mordechai en een restauranteigenaar, maar dat Hella Haasse, ‘toen al de grande dame van de Nederlandse literatuur’, tussenbeide was gekomen. Zij was ‘een graag geziene gast in koninklijke verblijven en bij officiële gelegenheden’, dit ‘in tegenstelling tot Mordechai die tot persona non grata was verklaard’ nadat hij de koningin had geschoffeerd.

Terug in de bistro met de uitgever drinkt Mordechai van zijn wijn, die hem doet denken ‘aan de rode aloxe-corton die hij in – wat was het, 1982? – had gedronken met Umberto Eco. Volgt een weergave van dat gesprek, waarna we weer aanwezig zijn in de bistro bij het gesprek met zijn uitgever die Mordechai een grappa aanbiedt, waarvan hij in de volgende alinea betreurt die gedronken te hebben. In zijn Amsterdamse hotelkamer herinnert hij zich de ontmoeting met Klara, eind jaren tachtig. Ze zijn dertig jaar ‘bij elkaar geweest, twee eenlingen die niet zonder elkaar wilden leven.’

Twee dagen voordat Mordechai zijn interviewer buiten westen sloeg, vierden ze haar verjaardag. De volgende dag vond hij een afscheidsbriefje, zij is terug naar Zweden waar ze vandaan komt. Haar telefoon is al afgesloten, haar huis, vlak bij het zijne, is ‘leger dan leeg, hetzelfde en toch anders.’

In dit eerste hoofdstuk van 25 bladzijden meandert Marcel Möring door eeuwen, decennia, jaren, dagen, ‘alsof tijd geen betekenis heeft’, en hij zal dat op alle vijfhonderd bladzijden die het boek telt blijven doen. Verderop in het boek laat hij Mordechai op laatdunkende wijze Nobelprijswinnaar Bob Dylan citeren:

Time is a jet plane, it moves too fast… Wat is er te snel aan een straalvliegtuig? Het is de bedoeling, het raison d’être zelfs, van een straalvliegtuig dat het snel gaat.

Möring laat ons de snelheid waarmee de tijd aan ons voorbijtrekt bijna fysiek voelen. Het ene moment zit je als lezer in het nu, het volgende moment ben je in het verleden teruggeworpen. Ooit heeft Mordechai in een interview gezegd: ‘Het is al druk genoeg in mijn hoofd als ik een roman schrijf’,

en op de repliek van de journalist dat je romanpersonages toch niet kon vergelijken met echte mensen, had hij geantwoord dat ze dan geen goede personages waren. ‘Als ze dat wel zijn hebben ze een wil en een doel die zich regelmatig onttrekken aan mijn wil en doel. Net als het Bijbelse joodse volk. God wil iets, maar het zootje ongeregeld besluit op een cruciaal moment een gouden kalf te maken en feest te vieren. Als ik schrijf ben ik God en de personages in mijn boek zijn mijn joden.’

De schrijver als God. Voor Mordechai Gompertz is een roman ‘een wereld waarin de maker alleen zichtbaar was door zijn stijl, door zijn ambacht, door zijn vermogen om iemand te transporteren naar wat nog niet bestond.’ Is Mordechai zo’n roman, en is dus Möring zo’n schrijver?

Over God zal ik het maar niet hebben, maar Marcel Möring is zeker een schrijver wiens stijl en ambacht zichtbaar zijn in de roman, net als in zijn eerdere werk. Ook laat hij je ‘dwalen door de nevelen om te geraken waar je nooit was, een confrontatie met het andere, andere tijden, andere ideeën, andere personages.’ Hij doet dat in het volle besef dat hij de lezer een verzonnen verhaal voorspiegelt én in het besef dat de lezer dat weet. Hij voert bestaande of bestaand hebbende personen op als gesprekspartners van zijn hoofdfiguren en maakt ze zo tot fictieve personages: Umberto Eco, Philip Roth, Josepha Mendels, Leonard Cohen.

Van non-fictie of journalistiek kon je zeggen dat het niet klopte of dat de feiten verkeerd waren geïnterpreteerd. Maar fictie was inherent onbetrouwbaar, kon niet feitelijk worden afgewezen en was daardoor suspecter dan elke andere tekstsoort.

Het gaat er dus niet om hoe fictie zich verhoudt tot de werkelijke werkelijkheid, als de werkelijkheid binnen het fictieve verhaal maar ‘klopt’ of tenminste aannemelijk is. Waarom zou Mordechai Gompertz, de grootste schrijver van Nederland, niet op voet van gelijkheid hebben verkeerd met Umberto Eco of Philip Roth?

Marcel Möring kneedt de waarheid, zoals hij Ephraim Mordechai Gompertz, de grootvader van de hoofdpersoon Mordechai laat denken: ‘Hoewel hij de waarheid kneedt, voelt het niet als bedrog. Integendeel, het lijkt alsof alles door zijn manipulaties alleen maar meer waar wordt.’

Binnen Mordechai is er één ding dat niet klopt. In de stamboom van de familie Gompertz, afgedrukt op bladzijde 11, staat dat genoemde grootvader in 1894 is geboren in Amsterdam, maar op bladzijde 357 lezen we dat hij door de Kleine Haddingestraat loopt

om te zien waar hij was geboren en de eerste jaren van zijn leven had gewoond. Pas toen hij daar liep besefte hij dat hij het adres niet wist en dat hij zich niet meer kon herinneren hoe het huis eruitzag. Hij liep een keer heen en weer en gaf het toen op. Ik weet niet waar ik vandaan kom, dacht hij, en ik weet niet waar ik heen ga. Hij sloeg de hoek om en strandde in het publiek dat de sjoel verliet.

Er is voor zover na te gaan maar één Kleine Haddingestraat in Nederland en die is in Groningen. Wie in Amsterdam is geboren, gaat zijn geboortehuis toch niet opzoeken in een andere stad? In de straat die parallel loopt aan de Kleine Haddingestraat is inderdaad een synagoge, dus dat klopt weer wel.

In zekere zin is genoemde Ephraim Mordechai Gompertz, zo niet de eigenlijke hoofdfiguur, dan toch een belangrijk schaduwpersonage, schrijver van enkele erotische werkjes die hem geen windeieren leggen. Dat zijn interviewer zijn grootvader ‘pornograaf’ noemt, maakt Mordechai zo woedend dat hij hem buiten westen slaat.

Marcel Möring is met Mordechai trouw gebleven aan zichzelf. De vergelijking met zijn roman In Babylon (1997) dringt zich op. Nathan Hollander is een sprookjesschrijver, stammend uit een joods geslacht van klokkenmakers dat is terug te voeren tot het Polen en Litouwen van de zeventiende eeuw en zich na jarenlang zwerven in de Nederlanden vestigt. In de wereld heerst chaos en toeval. In Mordechai zijn de voorouders van de hoofdpersoon vooral kaartenmakers, als om het hoofdthema van beide romans, dat van de wandelende jood, te benadrukken. Op bladzijde 492 staat een omfloerste verwijzing: ‘Voordat wij joden wapens gingen dragen waren wij goed in wandelingen. Soms duurde het zelfs veertig jaar.’

De roman eindigt met een uitspraak van Mordechai: ‘[…] sprookjes moeten er zijn en geschreven worden. En dat doe ik.’ Laat de aanhalingstekens weg en het is Marcel Möring die het doet.

Frank van Dijl

Marcel Möring – Mordechai. Prometheus, Amsterdam. 506 blz. € 27,50.