Recensie: Cees van den Boom – Witte Paarden & Blauwzuur
Signalen van onheil
Opgroeien, jezelf vinden, leren van het niet zelden wrede en onverschillige leven, we beginnen er niet allemaal aan onder dezelfde voorwaarden. Cees van den Boom verloor op zijn veertiende zijn moeder onder zeldzaam tragische omstandigheden en verwerkte dit verlies in zijn ambitieuze, semi-autobiografische debuutroman Witte Paarden & Blauwzuur.
Schrijven over een als heftig beleefde gebeurtenis – je moet er een boek over schrijven, joh! – is wat omstanders je vaak aanraden. Gelukkig beginnen maar weinigen er echt aan. En al even gelukkig stellen uitgevers zich in dezen ook verstandig terughoudend op. Maar als je werkelijk over literair talent beschikt, is er natuurlijk niets mis mee. Cees van den Boom heeft dat talent, zeker wie in ogenschouw neemt dat hij pas 28 jaar is.
Witte Paarden & Blauwzuur is een uit talloze fragmenten opgebouwde roman, een gefictionaliseerde vertelling, wat er allemaal gebeurde voor en na de noodlottige dood van zijn moeder. Geen verzameling feiten, maar gesprekken, gevoelens, ervaringen, terugblikken en associaties van vooral protagonist Simon (Siem) Peeters, een echte Haagse Daltonschooljongen, die moeite heeft om aan alle aan hem gestelde eisen te voldoen. Hij is een vrijere geest dan menigeen en dat botst nogal eens. Daar komt bij dat depressies een familiekwaal zijn, en dan niet gewone somberte, maar diepe depressies. Zijn oma onderging ooit elektroshocktherapie, zijn moeder wordt ervoor in een tehuis opgenomen, om te voorkomen dat ze zichzelf wat aandoet en ook Siem heeft hulp nodig.
Van den Boom schrijft in een wat archaïsch aandoend vocabulaire, met lange zinnen en in een eigenzinnig idioom. Dat verwacht je niet meteen van een jonge debutant in een tijd dat juist kort en kaal voor knap doorgaat. We volgen (of horen de vertelstem van) Siem, zijn vader Harmen en moeder Wies, zus Linde, grootouders, verre familie, want wonend ‘helemaal in Friesland’, docenten, vrienden en vriendinnen; mensen die zich diep vanbinnen allemaal wel realiseren dat Siem wat anders in het leven staat dan zij.
Hij wil wel van alles, zoals een relatie met een vriendin, maar het gaat hem nooit gemakkelijk af. Van de weeromstuit relt en kliert hij op school, loopt hij vaker dan eens driftig van huis weg en redt tussen de bedrijven door ook nog een bijna doodgevroren vrouw, die hij toevallig kende van een schoolweekje meelopen op een sociale werkplaats. Terugblikkend, blijkt dat laatste een vroege, maar cruciale aanwijzing in deze roman. Hoe dan ook, Siem is een jongen met een gebruiksaanwijzing.
De allereerste keer was het anders, toen waren ze beiden radeloos geweest. Een peuter die er in zijn eentje op uit trekt langs de kustlijn, maakt geen schijn van kans wanneer hij wordt gegrepen door de zee. (…) Wanneer hij achteromkeek, kon hij Wies niet zien. Wel hoorde hij haar roepen, een snerpend gebrul dat hij zelfs in hun heftigste ruzies niet eerder had gehoord. Een reserve die moeders blijkbaar enkel aanspreken wanneer hun kroost werkelijk in gevaar is.
Dat Van den Boom kan schrijven is geen vraag, maar je moet als lezer wel over heel veel wilskracht beschikken om op een punt te geraken, dat je overtuigd raakt om door te lezen. Dat is een duidelijke zwakte aan Van den Booms eerste. Wat aanvankelijk vrijwel geheel ontbreekt is enige notie van een koers. De vertellers wisselen daarbij geregeld en het krioelt bovendien van de namen en futiele gebeurtenissen, waarvan je je, trouwens ook later, afvraagt of ze wel allemaal zo zinvol zijn.
Natuurlijk zijn er wel al kleine signalen van naderend onheil, zoals een gesprek van moeder Wies met haar psychiater, over een eerdere suïcidepoging, maar ze verdrinken in leuk gevonden en vaak al even inventief geformuleerde beschrijvingen van uiteenlopende alledaagse gebeurtenissen in het leven van een puber als Siem. Ja, zo denkt en leeft een jongen van die leeftijd, heel levensecht getroffen, maar voor een lezer die toch wel enige kans op inzicht moet krijgen, is het lange tijd raadselachtig waar dit heen gaat. Per slot van rekening kan in principe álles in een literaire roman een signaalfunctie hebben.
De witte paarden uit de titel blijken uiteindelijk niet te verwijzen naar de edele dieren, maar naar een Overijssels gehucht dat Witte Paarden heet. Met hoofdletters dus. Geen lieflijk oord, wat je zou hopen en verwachten, maar aangezien dit hedendaags Nederland is, moet je denken aan een naargeestige plek dicht bij een snelweg, wat non-descripte loodsen erbij en dat uiteraard in miezerige weersomstandigheden. Juist daar vindt Siems moeder de dood. Witte Paarden & Blauwzuur maakt daarmee ten langen leste duidelijk dat een mens, zelfs indien voorzien van Joris Luyendijks beruchte zeven vinkjes, nooit een garantie heeft op een ‘gelukt’ of aangenaam leven.
André Keikes
Cees van den Boom – Witte Paarden & Blauwzuur. De Arbeiderspers, Amsterdam / Antwerpen. 336 blz. € 24,99.

