De jager op de kim

Al drieëntwintig jaar verschijnt Het Liegend Konijn, tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie, onder de eenmansredactie van Jozef Deleu. Al die tijd tweemaal per jaar. De betekenis van het tijdschrift is nauwelijks te overschatten: in totaal publiceerde Deleu nieuwe poëzie van 525 dichters. Hoezeer ze dat ook verdienden, eigen gedichten nam hij niet op, ondanks zijn lange carrière als dichter (zijn debuut Schaduwlopen verscheen al in 1963). Het tekent zijn bescheidenheid.

In het voorwoord van dit nummer (of liever: dit boek, want als altijd bevat het ruim 200 pagina’s) noemt Deleu Het Liegend Konijn ‘een open en ongebonden huis voor onze poëzie’. Daarmee gaf hij dichters van uiteenlopend pluimage een podium en de lezers een goed overzicht van de poëzie in de eenentwintigste eeuw.

En nu stopt het. Niet echt onverwacht, want Deleu is inmiddels 88. Het is een enorme prestatie dat hij het zolang heeft volgehouden. Daarnaast werd de uitgave bemoeilijkt door het wegvallen van Nederlandse en Vlaamse subsidies, te wijten aan het grimmige culturele wanbeleid aan beide zijden van de grens.

Dit laatste nummer bevat 172 gedichten van 31 dichters. Onder hen zijn zes debutanten: Isa Altink, Stefan Clappaert, Caspar Dullaart, Hadewych Griffioen, Inge Misschaert en Ada van Raemdonck. Van Isa Altink verwacht Deleu veel: hij nam maar liefst tien gedichten van haar op, het maximum in dit nummer. Slechts drie anderen heeft hij net zo ruim bedeeld: Chris Honingh, David Troch en Elise Vos.

Het lyrisch ik van Altink kan somber zijn: ‘soms wil ik een stukje van mijn leven afslaan / als de grote teen van de David’ en er is sprake van vervreemding: ‘tegen alle verwachtingen in / ben ook jij iemand geworden / die je niet herkent’. Maar het zware weet Altink lichter te maken met een wat wrange humor, die juist daardoor goed werkt: ‘als je niest denkt de kat dat je hem aanvalt / als je moest vluchten zou je hem optillen en meenemen / en dan zou hij je krabben’.

Als altijd staan er in dit nummer ook nieuwe gedichten van bekende dichters als Maria Barnas, Tsead Bruinja, Piet Gerbrandy en Ester Naomi Perquin. Van haar heeft Deleu een cyclus van vijf gedichten opgenomen. De titels zijn grappig: ‘En voor de allerlaatste keer’, ‘En voor de zoveelste keer’, En voor de eerste keer’, En voor de laatste keer’, ‘En voor de een-na-laatste keer’. Ook Elise Vos brengt je nog voor je haar gedichten hebt gelezen in een goed humeur met de serietitel ‘Werktitel paradijs’. Beide cycli zijn zeer de moeite waard.

Soms staan er in het Konijn gedichten of cycli die je later enigszins gewijzigd terugvindt in een bundel. Zeer interessant, want die veranderingen kunnen inzicht geven in de overwegingen of keuzes van een dichter. Zo blijkt de serie ‘Belichaming’ van Paul Demets in zijn onlangs verschenen bundel Moederkoren een afdeling te zijn geworden met de titel ‘Embodiment’. Heel opvallend is een wijziging in de tweede strofe van een van de gedichten. De woorden die zijn veranderd heb ik onderstreept, de wijzigingen staan tussen teksthaken.

Intrigerend: de woorden ‘ontmantelde je’ heeft Demets veranderd in ‘verpopte’. Als de vrouw zich ontmantelt, doet zij dat zelf. Maar ‘verpoppen tot’ is passief, dat is een verandering waarop zij geen invloed heeft. Deze wijziging is een verbetering, net als de titel van de afdeling. De uitleg laat ik achterwege, dat zou te ver voeren. Het gaat mij erom te laten zien dat het boeiend is varianten naast elkaar te leggen.

Marijke Hanegraaf heeft een aantrekkelijke stijl. Het lyrisch ik in de cyclus ‘Dag van de nevelzwam’ denkt na over ouderdom. Ze merkt op dat een buschauffeuse bedaard wacht op ‘een versleten oudere die naar de overkant wil’. En dan volgen de regels: ‘Pakweg tien jaar en ik ben het zelf, mijn longen een overjarige / leren tas, en toch dit doel: het gaande houden’. In het voorlaatste gedicht staat zij in een bushokje en ‘groet [zij] de vrouw van circa vijftig / die hijgend naast [haar] neerzijgt’. Enige regels verder constateert de ‘ik’: ‘Ze is / vergadering, loopbaanbegeleiding, kinderdagverblijf.’ Je raakt zelf haast buiten adem als je dit leest.

Van Akim A.J. Willems zijn zes gedichten opgenomen. Het laatste heet ‘Necropolis’. Het is ook het laatste gedicht van dit laatste Liegend Konijn. Het begint zo: ‘wat was het met kerkhoven en graven dat je opwond’. In de volgende vier strofen vraagt hij zich dat steeds opnieuw af. De laatste:

was het mos dat graven omarmde een fluwelen deken
waarmee tijd zichzelf verwarmde of de taal van verval
als een fluisterend lied dat de dagen van weleer
in je rouwborst achterliet
was het je hand langs zijn zerk verweerd door de jaren
die voelde als leven maar dan net iets bedaarders
de zerk zijn lichaam het graf een omhelzing
een kus van de dood die je teder ontving

Hopelijk geldt dat laatste nog lang niet voor Jozef Deleu. Hij schrijft in zijn voorwoord weliswaar dat ‘de jager wacht op de kim’, maar tot nu toe schoot deze altijd mis.

Hoeveel lezers en dichters van Het Liegend Konijn hielden kunt u lezen op de website van het tijdschrift. Namens iedereen: onze dank is groot, Jozef Deleu. De Nederlandstalige poëzie was armer geweest zonder uw inspanningen. Het ga u goed. Ik wens u nog een flink aantal mooie jaren vol poëzie toe.

Hans Puper

Jozef Deleu (redactie) – Het Liegend Konijn 2025/2. Pelckmans, Kalmthout. 227 blz. € 24,50.