Wit zichtbaar maken

Een jaar later zou ze de Nobelprijs winnen, maar in 1992 bracht Toni Morrison een van haar weinige non-fictiewerken uit. Spelen in het duister. Witheid en de literaire verbeelding bundelt drie lezingen die Morrison gaf aan de universiteit van Harvard. Centraal staat het begrip ‘afrikanisme’, wat staat voor de vaak stemloze of stereotiepe aanwezigheid van zwarte mensen in de witte Amerikaanse literatuur. Het is ook de manier waarop de Afrikaanse of Afro-Amerikaanse ‘ander’ wordt ingezet om de witte identiteit vorm te geven. Hier en daar is de tekst van Morrison na 30 jaar misschien wat ingehaald door de tijd, maar tegen de achtergrond van de socio-politieke evoluties in de Verenigde Staten van de laatste jaren is de analyse tegelijk nog steeds brandend actueel. De Nederlandstalige heruitgave door Letterwerk, met een sterk nawoord van Sibo Kanobana, is dan ook meer dan welkom.

De Amerikaanse auteur Toni Morrison (1931-2019) is natuurlijk bekend van haar klassiekers als Beloved, Het blauwste oog en Het lied van Solomon, maar in 1992 bracht ze dus ook Spelen in het duister uit, een doorwrochte academische analyse over de rol die Afro-Amerikanen spelen in de literaire verbeelding van wit Amerika. Morrison is daarvoor destijds in de ‘schatkamer van de Amerikaanse literatuur’ gedoken. Aan de hand van werken van onder meer Willa Cather, Edgar Allan Poe, Ernest Hemingway en Mark Twain onderzoekt Morrison hoe wit literair Amerika, inclusief de literaire kritiek, is omgesprongen met ‘niet-witte, Afrikaans aandoende (of Afrikanistische)’ personages.

Het verfrissende aan het onderzoek van Morrison is dat ze niet blijft hangen aan opzichtige vormen van racisme of stereotypering. Ze is er ook niet op uit makkelijke moralistische analyses of lesjes te serveren om bepaalde vooroordelen – bijvoorbeeld Hemingway als avontuurlijke macho met racistische trekjes – te bevestigen. Morrison vertrekt veel meer vanuit vragen als ‘wat ligt er aan de basis van iemand zijn denken?’ of ‘waar komen bepaalde (voor)oordelen vandaan en waar zijn die op gebaseerd?’

Morrison dwingt de lezer op die manier ook om te kijken naar een aantal onderliggende mechanismen die aan het werk zijn in de Amerikaanse literatuur. Zo is er bijvoorbeeld de parallel die ze trekt tussen de vrijheidsgedachte van de Verlichting en de slavernij. De liberale vrijheidsgedachte van de Verlichting kan onmogelijk los gezien worden van de onderdrukking en de onvrijheid van de zwarte slaven. De twee gaan hand in hand. Meer zelfs, de onderdrukte aanwezigheid van de zwarten in Amerika lijkt onlosmakelijk verbonden met het superieure zelfbeeld van wit Amerika. ‘Het begrip vrijheid ontstond niet in een vacuüm. Niets onderstreepte de vrijheid – als ze die al niet creëerde – zo sterk als de slavernij,’ aldus Morrison.

Hier en daar lijkt Morrison in de val te trappen van een gemakkelijke veralgemening. Zo gebruikt ze één opmerking uit 1936 over een werk van Edgar Allen Poe om meteen een algemeen oordeel te poneren over de literaire kritiek. Maar zelfs bij de oorspronkelijke publicatie in 1992 was er in de literaire kritiek al veel meer aandacht voor raciale kwesties, ook in het werk van witte Amerikaanse schrijvers. Maar over het algemeen blijft Spelen in het duister zeker overeind. Het is ook interessant om het werk te lezen tegen de achtergrond van de gebeurtenissen in de Verenigde Staten, gaande van de Black Lives Matter-beweging, de raciale politiek van president Donald Trump en de hele gepolariseerde discussie over ‘witte suprematie’.

In zijn uitstekende nawoord trekt Sibo Kanobana, docent sociolinguïstiek en postkoloniale studies aan de Universiteit Gent en Open Universiteit van Nederland, de analyse van Morrison verder open naar de Europese en met name de Vlaamse en Nederlandse literatuur. Kanobana duikt daarbij even dieper in op de vraag: ‘Vormt witheid ook de politieke en literaire verbeelding van de Lage Landen en Suriname?’ Op die manier overstijgt de tekst van Morrison de grenzen van de Verenigde Staten en houdt die in bredere zin een spiegel op voor politieke en sociale machtsrelaties. De conclusie van Kanobana kan ik alleen maar onderschrijven: ‘Morrison nodigt uit om de Nederlandstalige literaire canon te analyseren aan de hand van de lens van witheid. Dit is geen oproep om witte auteurs te cancelen, maar juist om hun werk beter te lezen. Haar kritiek moet je bovendien niet zien als een aanklacht tegen witte mensen, maar als een uitnodiging tot zelfrelfectie.’

Maarten De Rijk

Toni Morrison – Spelen in het duister. Witheid en de literaire verbeelding. Vertaald door Thomas Crombez. Uitgeverij Letterwerk. 128 blz. € 24.99.