Draken, nijlpaarden en andere vluchtwegen

Alleen al de titel van Wout Waanders’ bundel We zijn nog lang niet halverwege roept tamelijk ambigue gevoelens op. De optimist zal zich verheugen op het aangekondigde plezier van de nog verre reis, terwijl een aartspessimist als ik een nog eindeloos, onaangenaam en uitermate vermoeiend avontuur voor zich ziet. Het vrolijke gegeven dat die negatieve instelling best vaak gelogenstraft wordt, ontmaskerd door kille realiteit, maakt dat pessimisme zo’n dankbare levenshouding. Zo ook in dit geval. Want We zijn nog lang niet halverwege blijkt ontsproten aan een speelse geest met een rijke verbeelding. Misschien zijn de gedichten niet altijd even zorgvuldig gesmeed, maar in een tijd waar ‘content’ boven doorwrochte vorm gaat, lijken ze even verfrissend als ontwapenend. Lijken.

Eggnog latte

Het is rustig vandaag,
zeg ik tegen Tessa, de dinsdagmedewerker
van de koffiebar op de Palmvarenstraat.

Het zonlicht valt in gelijkmatige blokken
op de enige klant, een oude man in een hoek:
hij drinkt rustig cappuccino, leest een boek.

Dat denk je maar, zegt Tessa.
Ze wijst voorzichtig zijn richting uit
en fluistert: eigenlijk een draak.

Dan zie ik inderdaad zijn staart
die onder de stoel door loopt,
een tafelpoot omklemt,

ik zie de klauwen waarmee hij
de bladzijden omslaat, de vleugels die hij
maar half achter zijn rug kan verbergen,

dan pas valt me het zwaard op dat Tessa
in haar handen heeft, het paard waarop ze zit,
de rots waar ik op sta, en ook

de enorme hoogvlakte waar we ons bevinden,
de bosjes blauwgras die om ons heen
in lichterlaaie staan.

Waanders schuwt het grote gebaar niet en toont zich een ongebreideld verteller die de lezer bij de les weet te houden. Wat er allemaal uit één kopje koffie kan opbloeien! De tijdreizen in Toshikazu Kawaguchi’s koffietentje uit Before the coffee gets cold zijn er niets bij. Juist door de introductie van Tessa die als dinsdagmedewerker in de koffiebar staat en waar de ik-figuur een eggnut latte bestelt, staat de lezer stevig genoeg met beide benen op de grond om in de fantasywereld die volgt, met het gedicht mee te gaan. Ook in andere gedichten doet de rechtstreekse taal wat hij moet doen: het onmogelijke voor mogelijk houden. Openingsregels als ‘Joyce baalt van de enorme feniks / die al sinds maart in haar bijkeuken slaapt’ of ‘Op een gegeven moment kwam het zover / dat ik het nijlpaard zelf maar uit ging laten’ hebben dat effect, vooral als je ze in hun context ziet. Zo gaat Joyce zelden meer mee stappen, omdat, nou ja, die feniks hè. En Nienke (van het nijlpaard) kwam zelf niet meer aan uitlaten toe door alle vergaderingen, feestjes en handbal. Want behalve de namen (naast Tessa, Joyce en Nienke komen er nog een stuk of vijftien langs met geen andere functie dat ze er toevallig zijn) biedt ook de vrij alledaagse, niet poëtische taal de lezer houvast. Toch trekken niet alle gedichten ongekende werelden in. In sommige blijft het zelfs opvallend stil.

Deur

Ze zegt dat er een heleboel mensen
bij haar aan de deur zijn geweest
om te vragen of ze al weet wat ze
met haar leven wil gaan doen.

Wat heb je ze gezegd, vraag ik.
Niks, zegt ze. Ik heb niet opengedaan.
Hoe weet je dan dat ze met die vraag
langs zijn geweest, vraag ik.

Ik voel dat soort dingen, zegt ze.

Een week later bel ik bij haar aan
met een fles witte wijn en zo’n
zak nachochips met chilismaak.
Ze doet niet open. Ik bel nog eens.

Er gaat een lamp aan ergens op
de overloop. Ik hoor wat gerommel,
een stoel die schuift. Even denk ik nog
dat ik iemand de trap af hoor komen.

Zoals bij veel andere gedichten lijkt ook hier weer eerder een verteller dan een dichter aan het woord. Maar de crux zit hem hier in die ene geïsoleerde regel precies in het midden. ‘Ik voel dat soort dingen, zegt ze’, een opmerking die de ik-figuur voor kennisgeving aan lijkt te nemen, maar die van de vrouw meteen een tragische figuur maakt die lijdt onder haar wanhoop en haar angsten. Aan het slot kunnen we net als de ik-figuur vaststellen dat zij blijkbaar niet open wil doen (misschien weer zo’n lastige colporteur, denkt ze), maar vanzelfsprekend kunnen we die verschuivende stoel bovenaan het trapgat ook anders interpreteren. ‘Deur’ vind ik misschien wel het meest indrukwekkende gedicht uit de bundel. En met de wanhoop die het schetst in het achterhoofd, lees ik veel van de fantasierijke andere gedichten toch ook met wat meer terughoudendheid. Draken en nijlpaarden komen immers in het gewone leven ook niet zomaar zonder betekenisvolle reminiscenties voorbij.

Jan de Jong

Wout Waanders – We zijn nog lang niet halverwege. De Harmonie, Amsterdam. 56 blz. € 20,00.