Vergissing

In de uitvoerige roman Mijn opa, de president en andere dieren geeft Al Galidi, uitgeprocedeerd asielzoeker uit Irak, een gruwelijk beeld van een niet met name genoemd land waarin we zonder al te veel moeite zijn vaderland herkennen. Je zou kunnen zeggen dat hij ons een rondleiding geeft in de geschiedenis ervan waarbij hij consequent de toon vasthoudt van de sprookjesvertelling. Maar dit is geen sprookje met een goede afloop, waarna de held en de heldin nog lang en gelukkig leven en de foute koning of stiefmoeder op ongezellige en toch ook bevredigende wijze om het leven worden gebracht.

Al Galidi introduceert via een ikfiguur een paar gezellen die een tocht door dit land maken, daarbij steeds deuren openen en dan terechtkomen in barre landschappen en ruimtes waar meestal gruwelijke martelingen plaatsvinden. In het begin laat de schrijver nog een lichtere toon toe in zijn verhaal. Dan neemt hij ons mee naar het dorpje El Nebbi waar men in angst en vrees leeft over de komst van de ‘president’. De opa van de ik vertelt mooie verhalen en we maken kennis met een stel vrolijke of rare inwoners van dit dorpje. ‘Het lijkt zo lang geleden,’ mijmert de ik, ‘soms denk ik dat het een droom was, vooral als ik midden in de nacht wakker word en ik me mijn kindertijd herinner. Ons dorpje. De dadels.’

Maar de idylle blijft niet in stand, de volgende zin luidt: ‘De Mermeries, die met mij zaal zeven binnenging en mijn bekentenis bijwoonde.’ We zijn dan op pagina 27 van dit boek en nu al is de idylle voorbij. Steeds gruwelijker wordt de vertelling, steeds naarder worden de martelingen, die af en toe tot in alle details zijn beschreven en steeds verschrikkelijker komt de gruwelijke ‘president’ in het licht te staan. En tegen het einde wanen we ons in een universum dat doet denken aan het latere, meest sadistische werk van Markies de Sade.

Drie schuldigen hingen aan het plafond. Ze druppelden hun schuldige lichamen, terwijl drie presidentiële zonnen hen met hun verzengende licht beschenen.

Vermoedelijk is dit een voor deze schrijver noodzakelijke roman, maar die noodzaak krijgt geen literair interessante stem. De woede was na veertig pagina’s bij mij al uitgewerkt en dan moest ik nog eens ruim 200 pagina’s meer van hetzelfde doorploegen. Ik raakte versuft en verlamd, kreeg de zenuwen van de steeds terugkerende en allang uitgewerkte beeldspraken, werd absoluut niet meer benieuwd naar wat er achter een volgende ‘deur’ zou plaatsvinden. Iedere noodzaak om door te lezen ontbrak, omdat alles al pagina lang verteld was en er niets aan toe gevoegd werd.

Ook de bloemrijke beeldspraak die Al Galidi in vorig werk met de nodige soberheid inzet, begon hier steeds meer bron te zijn van een doffe, schele hoofdpijn. ‘Zijn melodie zocht de oren van Fanous om ze te veranderen in ogen voor mijn oren.’ Ja het zal wel. Of: ‘Daar beklom ik het groen. Daar weefde mijn innerlijk de stralen van de dag. De dauw beet mij met zijn snavel, omdat ik een groene wond in de lucht opende.’ Gooi het maar in mijn pet. Dit boek berust op een vergissing over wat literatuur zou kunnen zijn. Iemand had Al Galidi ervan moeten overtuigen dat het zo niet kon.

Kees ’t Hart

Al Galidi – Mijn opa, de president en andere dieren. De Arbeiderspers, Amsterdam. 280 blz.

Deze recensie verscheen voor het eerst in de Leeuwarder Courant op 21 januari 2005.