Recensie: Dik van der Meulen – Meester in het paradijs
Halsstarrige optimist
Wie bij het woord natuurvriend nog denkt aan een wat trage, saaie persoon, die zwijgend door de dreven stapt, kan onmogelijk een goed beeld hebben van de iconische natuuronderzoeker en -schrijver Jac. P. Thijsse. De in 1865 in Maastricht geboren Thijsse was misschien wel in de eerste plaats een onstuitbare workaholic, al was die term in zijn tijd nog onbekend. Wellicht ook een ADHD’er avant-la-lettre. Dik van der Meulen portretteert de oprichter van de Vereniging Natuurmonumenten en auteur van (onder veel meer) de bekende Verkadealbums, met de iconische inplakplaatjes, in zijn breed opgezette biografie Meester in het paradijs als een bevlogen onderwijzer. Een man die het liefst alle Nederlanders tot zijn natuurliefde wilde bekeren.
Dik van der Meulen is al net als Thijsse een goede verteller, die zich verre houdt van het feitjes plengen. Hij beschikt natuurlijk wel over alle wetenswaardigheden die er toe doen, maar weeft ze op een heel aantrekkelijke manier door zijn verhaal, waarmee Thijsse echt gaat leven. Zo kom je op subtiele wijze ook meer te weten over Thijsse’s persoonlijke achtergrond, zijn manier van denken, drijfveren en omgang met anderen. Niet in de laatste plaats met zijn vriend, mede-natuur-ijveraar en mede-schoolmeester Eli Heimans.
Van der Meulen is na zijn succesvolle boeken over onder anderen Multatuli, koning Willem III, prins Bernhard en over de wolf in Nederland, een zeer op het eigen land gerichte schrijver, wat hem dus ook bij Thijsse deed uitkomen. Al eerder verscheen van zijn hand een korte biografie van Thijsse, maar het omvangrijke, met intrigerende foto’s en tekeningen rijk geïllustreerde en van veel citaten voorziene Meester in het paradijs gaat uiteraard veel verder, door ook diens tijd, het verander(en)de landschap en zijn nalatenschap te beschouwen.
Vooral Thijsses intense bevlogenheid valt daarin dus op. Of het nu de al genoemde Verkadealbums zijn, de Geïllustreerde flora of de strijd tot behoud van het Naardermeer, de schrijvende natuurvriend werd nooit moe er zijn energie aan te geven. Voorop stond bij hem steeds de beleving van het buiten zijn, het je kunnen onderdompelen in een Heile Welt van ruisende gewassen en zingende vogelen. Goed voor lichamelijk en geestelijk welbevinden. Van der Meulen laat goed uitkomen dat Thijsse als het ware altijd een schooljongen is gebleven met zijn welhaast onbedorven blik op alles wat groeit en bloeit, fladdert, zwemt, kruipt of ritselt.
Thijsse wilde die verwondering zielsgraag doorgeven, hij was niet toevallig ook onderwijzer. Zo’n ouderwetse, die niets heviger nastreefde dan alles wat voor hem persoonlijk belangrijk was over te brengen op zijn leerlingen, zeg maar zijn ‘mede-schooljongens’. En later aan iedereen die het horen wilde. Pieter van Tienhoven, toenmalig voorzitter van de Vereniging Natuurmonumenten, kon wel eens gek worden van wéér een brief van hem met allerhande raadgevingen en aansporingen:
Het was allemaal veel te bewerkelijk voor het toch al overbelaste bestuur, aldus de voorzitter. Het leek hem beter dat Thijsse maar weer eens langskwam, ‘omdat Gij, ik kan dat begrijpen, niet geheel op de hoogte zijt van hetgeen op ons kantoor gebeurt.
Zelfs toen Thijsse in 1899 pleuritis opliep, kon hij zich ondanks streng doktersadvies maar niet losscheuren van zijn missie. Volledige rust houden, de behandeling van die tijd, greep hem zwaar naar de keel, maar hij bedacht er iets op:
‘In 1899,’ schreef hij later, ‘heb ik eens een half jaar te bed moeten liggen met verbod van te lezen en ik herleefde toen op mijn dooie gemak Texel en Naardermeer, Ankeveensche Plassen, de Veluwe, Zuid-Limburg en reciteerde in mijzelf veel van gedichten die ik vroeger uit mijn hoofd had geleerd.’
Het gedreven, niet zelden naïeve idealisme om de wereld te verbeteren was ook echt iets van die periode. Denk aan iemand als Lezjer Zamenhof die de internationale taal Esperanto bedacht om de wereldconflicten te kunnen uitbannen en alle religies wel eens even zou verzoenen. Een vergelijkbare geest ademt de wereld van Thijsse, die paternalistisch heel Nederland bij de hand nam om de groene wereld te omarmen.
Een onverbeterlijke optimist ook. Toen de Tweede wereldoorlog uitbrak zag hij, bijna 75 inmiddels, zonder overigens het nazisme aan te hangen, ook positieve kanten aan de machtsovername: de Duitsers geloofden tenminste in de natuur, terwijl de Nederlandse bestuurders altijd alleen maar draalden. Van der Meulen spreekt daarbij van halsstarrig optimisme. En tekent erbij aan dat het maar goed was dat Thijsse en Natuurmonumenten-voorzitter Van Tienhoven geen gehoor vonden bij nazi-rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart, want anders ‘hadden de twee vrienden zich toch echt aan collaboratie schuldig gemaakt’.
Alles voor de natuur, was voor Jac. P. Thijsse de rode draad in zijn leven. Bij het behalen van zijn onderwijzersakte in 1883 viel hij al op door ‘zeer veel vlijt’ en het kort daarop ook nog behalen van lesbevoegdheden in Frans, Duits en Engels. Het zat gewoon al in hem om zich ergens in vast te bijten.
Voor de natuur in ons land is dat een zegen geweest, want ondanks alle snelwegen, groeiende steden, bedrijventerreinen, windmolens en zonnepaneelvlaktes, is er toch nog steeds wel iets van natuur overgebleven in dit land. Plus een sterk gegroeide bewustwording dat natuur onze bescherming nodig heeft. Daar heeft Thijsse zijn grote bijdrage aan geleverd, zo valt te leren uit dit rijke ‘album’. Weliswaar zonder inplakplaatjes, maar niet minder fascinerend.
André Keikes
Dik van der Meulen – Meester in het paradijs. Jac. P. Thijsse en het landschap. Querido – Amsterdam / Antwerpen. 424 blz. € 34,99.
