De achtste kandidaat

‘Een beetje ingewikkeld,’ vond Dick Schoof het, dat zij en collega Petra de Koning een boek over hem hadden geschreven. Dat onthulde NRC-journalist Lamyae Aharouay in podcast Haagse zaken. Zijn ambtelijk eufemisme voor ‘zwaar kut’ valt goed te begrijpen. Vanaf dag één van zijn kabinet werd Schoof in de publieke opinie neergezet als minister-president – als man – zonder gezag. Nu is het eind in zicht en komt er een boek uit dat dat nog eens dunnetjes overdoet. Er valt vast meer te vertellen over de carrière en de persoon van onze premier, maar daarvan heeft niet veel de 128 pagina’s van Dick Schoof gehaald.

Aharouay en De Koning zijn verfrissend expliciet over hun ambitie, of het gebrek daaraan. Dick Schoof is ‘geen biografie: een portret,’ gelijk De Konings eerdere Mark Rutte. Ze schrijven – terecht – voor een lezerspubliek dat de politiek goed volgt en het kabinet-Schoof nog vers in het geheugen heeft liggen; aan een uitleg van het Nederlandse politieke landschap 2023-nu en zijn hoofdrolspelers wordt geen inkt verspild. In een serie niet-chronologische anekdotes gaan we door Schoofs jeugd in een katholiek nest, zijn studententijd in het idealistische Nijmegen, eerste baantje bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en daarna verschillende ministeries en de IND, AIVD en Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV). De journalisten zijn goed geïnformeerd en citeren bijna woordelijk uit één-op-één-gesprekken tussen Rutte en zijn opvolger of tussen de vier leiders van Schoofs coalitie. De interessantste stukken gaan over de gang langs zeven mogelijke premiers – klinkt als de premisse van een duister sprookje – voor PVV, VVD, NSC en BBB bij Schoof uitkwamen, en diens spoedcursus politicus door voormalig VVD-fractievoorzitter Klaas Dijkhoff. Van Schoofs jeugd vrees ik dat vooral het hoofdstuk ‘Uit huis gezet’ zal blijven hangen: waarin hij als twintiger na een geschil over de schoonmaak door de door hem zelf opgerichte woongroep van het eiland wordt gestemd. De toon is gezet.

Soms laten de schrijvers zich wel erg leiden door hun bronnen. Zo is van een loslippige ex om de een of andere reden zowat het hele appverkeer van de afgelopen jaren opgenomen. Tegelijkertijd worden de undercoveracties in moskeeën in Schoofs tijd als NCTV afgedaan met een halve alinea, terwijl hij vóór zijn premierschap vooral hierom in het nieuws was gekomen. Dan is er zijn getuigenis in 2025 tegen een NCTV-medewerker die jarenlang als dubbelspion voor Marokko zou hebben gewerkt. ‘Schoof had nauw met El M. samengewerkt en leek hem volledig te vertrouwen.’ Dat klinkt als materiaal voor een volledige John le Carré, maar Aharouay en De Koning laten het bij deze zin en stappen over op de zoektocht van hun hoofdpersoon naar een nieuwe vriendin (‘lang, slank, blond’).

Van een portret van Dick Schoof wil je in elk geval weten waarom de fractievoorzitters hem – weliswaar als achtste – uitverkoren om hun regering te leiden, waarom hij ja zei, en hoe hij daarop terugkijkt. De schrijvers trekken zelf geen expliciete conclusies en laten een soms verwarrende mengeling anonieme bronnen aan het woord. Schoof zou eerst ‘een dammer, geen schaker’ zijn geweest, later ‘een snelle procesdenker’ zijn geworden. Er zijn collega’s die hem ‘de lachende moordenaar noemden. Omdat hij vaak lachte, maar genadeloos kon zijn.’ Defensie achtte hem echter ongeschikt als hoogste ambtenaar omdat hij te onzeker was rondom Rutte. Sommigen geloven hem dat zijn bereidheid tot het premierschap uit plichtsbesef voortkomt, maar er wordt ook voortdurend op gewezen dat hij ijdel zou zijn, en merkbaar geniet van mooie spullen, TV-optredens en buitenlandse reizen.

De gestage aftakeling van het kabinet-Schoof heeft zich live op onze TV-schermen voltrokken en het beeld achter die schermen is niet veel anders. De journalisten beschrijven een premier die van zijn fractievoorzitters geen enkele ruimte kreeg en die ook niet pakte. Hij had het initiatief bij de Miljoenennota-onderhandelingen moeten nemen, maar was volgens eigen medewerkers bang om Wilders te bellen, en kwam zo op de gang te zitten terwijl binnenskamers gekoehandeld werd. (‘Op de gang’ is onvermijdelijk hoofdstuk 1 geworden.)

Nee, Schoofs ambtstermijn zal niet makkelijk zijn geweest, maar dat wisten we zonder de getuigenissen in dit boek ook al. Om te weten hoe hij het zelf heeft ervaren, wat hem bewoog het toch te doen, hadden de auteurs hem direct moeten kunnen bevragen. Bij gebrek daaraan en in afwachting van een autobiografie (ik stel voor: Tussen vier vuren: mijn jaar in de Haagsche hel) moeten we het dus doen met appjes aan loslippige oude vriendinnen. Zoals: ‘In the end is alles een keuze.’ Hoe nietszeggend ook, onze afzwaaiend minister-president slaat hiermee wel de spijker op zijn kop. Alle een beetje ingewikkelde momenten, de ongenadige kritiek en de pers die in je verleden wroet, het hoort nu eenmaal bij het ambt. Rob Jetten is gewaarschuwd.

Tobias Wijvekate

Lamya Aharouay en Petra de Koning – Dick Schoof. Brooklyn, Amsterdam. 128 blz. € 18,00.