Louis-Ferdinand Céline in Baden-Baden

Louis-Ferdinand Céline (ps. van Louis-Ferdinand Auguste Destouches, 1894-1961) schreef in St. Malo zijn anti-joodse pamfletten (in 1937 Bagatelles pour un massacreBagatellen voor een massamoord en in 1938 L’école des cadavresSchool voor kadavers), toen er zich in Duitsland al duidelijk sprake was van jodenvervolging. Daar staat tegenover dat Céline zich nooit voor het karretje van een vereniging, beweging of partij heeft laten spannen en zich zeker niet door de Duitsers liet betalen zoals Jean-Paul Sartre beweerde.

Zijn polemiek was het gevecht van één man, die zich het slachtoffer voelde van de ‘klootzakken’ op de wereld die de touwtjes in handen hebben. Hij waande zich het slachtoffer van de tijdgeest. De pamfletten vonden gretig aftrek onder de Franse lezers. Als individualist, nationalist en pacifist streed hij voor de Franse cultuur. Een raszuivere cultuur. Dat ‘Franse ras’ komt overigens al eerder, op de eerste bladzijde van Reis naar het einde van de nacht (1932) ter sprake.

Céline was niet alleen tegen de joden, ook was hij tegen de Aziaten (het gele gevaar), de ‘negers’ (het zwarte gevaar), tegen roken, drank, de jazz en de bioscoop die hij beschouwde als bedreigingen van de Franse cultuur. Van de literatuur vooral. Hij wilde de mensen waarschuwen tegen een Tweede Wereldoorlog. Als soldaat in de Eerste Wereldoorlog had hij zijn portie wel gehad.

Toen de geallieerden op 6 juni 1944 op de kust van Normandië waren geland, wist Céline dat hij in Frankrijk ter dood veroordeeld zou worden wegens landverraad en collaboratie met de vijand (de artikelen 75-76 in het Wetboek van Strafrecht). Dat verklaart zijn vlucht met Lucette Almansor en zijn kat Bébert van St. Malo naar Parijs. Op 17 juni verlaat hij Parijs om via Duitsland door te reizen naar Kopenhagen. Daar zou hij tot 1951 in ballingschap verblijven (zie: De laatste reis, De Deense jaren van Céline in ballingschap 1945-1951).

Niet alleen de Franse justitie vertegenwoordigde het gevaar, ook mensen uit het verzet die wilden afrekenen met de antisemiet Céline, zoals zij dat korte tijd later ook met zijn uitgever Robert Denoël zouden doen door hem op straat in Parijs in de rug te schieten. Denoël is de uitgever van de pacifistische, antisemitische en anti-communistische pamfletten.

In een brief van 5 oktober 1948 aan zijn ‘maat’ en schrijver Albert Paraz (1899-1957) schrijft Céline vanuit Denemarken: ‘Ik heb me aan niemand verkocht – vrouw van de wereld in hart en nieren, vreselijk deugdzaam en voornaam! Laat het ze gezegd zijn! En ze weten het! En vanwege deze deugdzaamheid, door deze deugdzaamheid willen ze graag dat ik crepeer. Ik ben een levend verwijt. Hoer, knecht, partijgenoot, verklikker van niemand – niet van het publiek, niet van de propaganda, niet van de bazen, niet van de Duivel!’

Over zijn vlucht in juni 1944 van Frankrijk naar Duitsland, zijn verblijf in Baden-Baden en in slot Sigmaringen en zijn reis naar Denemarken heeft Céline geschreven in de Duitse trilogie. Hallucinant, infernaal proza dat als een delirium van taal op je afkomt. In zijn groteske overdrijving is Céline het slachtoffer (‘pauvre con’). Zijn oeuvre is ‘de klacht van een arme klootzak’, aldus Jean Guénot. Zowel de schrijver als de persoon Destouches voelt zich in zijn schrijverschap en in zijn politieke pamfletten miskend, onbegrepen en vernederd. In nazikringen is hij echter geen onbekende. In Baden-Baden maakt hij in 1944 zijn eerste tussenstop in het sjieke hotel Brenners Park-Hotel.

De weg slingert over lommerrijke lanen langs riante villa’s met enorme tuinen. Om ons heen kolossale kastanjebomen. Dit is het paradijselijke Baden-Baden. Voor Russische en Franse aristocraten, politici, componisten, kunstenaars en schrijvers in de negentiende eeuw ‘de zomerhoofdstad van Europa’, waar het bruiste van muziek, theater en literatuur. Russische literatuur vooral. Hier, in dit vredige oord van Kurhaus, Kurpark en Spielbank, groeide de schrijver G.L. Durlacher (de vader van Jessica) op. Maar zijn jeugd kreeg een dramatische wending met de opkomst van Hitler. Ook in Baden-Baden sloegen het nationaal-socialisme en de jodenhaat meedogenloos toe. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleef Céline er te midden van talrijke nazi-kopstukken in het Brenners Park-Hotel.

De Werderstrasse is de ideale plek van aankomst. Centraal in het decor van kortgeschoren gazons en kleurige bloemperken staat het Kurhaus. Enigszins verzonken boven de trap vormen drie zware deuren de entree naar het casino. ‘Het Casino van de Historie,’ zoals Céline het noemt in Noord, een van de romans van de Duitse trilogie. Achter de façade van de speelzaal, het ‘rendez-vous van Europa’, komt de goklust tot leven indachtig de literatuur van Céline: ‘Op “rouge” en op “noir”… oogleden, tieten, heupen… een beha die op halfzeven zakt! (…) Er is geen orkest… geen geluid, alleen het rrrrr!… van het rouletterad… en die zangerige stem met z’n korte: “jeux sont faits!”.’

Tussen het park en het hotel stroomt het beekje Oos, te ondiep volgens Céline om je erin te verdrinken. Het is 1944. De Russen rukken op vanuit het oosten, heel Europa brandt. ‘Maar de bouillabaisse van Schulze was en bleef de grote zorg van het “Brenners Hotel”… verstuurd per expressezending! Zeeduivel, knoflook, saffraan en kleine visjes van de Côte des Maures, twintig soorten, op het afgesproken uur afgeworpen boven de keukens, speciale tanks met vers aquariumwater…., zo uit het vliegtuig… oorlog geen oorlog, niemand zou later kunnen zeggen dat het ‘Brenners Hotel’ zich slecht van zijn taak kweet…’

Je haalt meer uit de literatuur dan uit de Rundgang en wandelgidsen. De verbeelding, de uitvergroting laat ons het werkelijke leven zien. Zo stappen wij met Céline, die door de Duitsers behalve als antisemiet ook als arts werd gewaardeerd, het Brenners Park-Hotel binnen, de trap op, de gang in, naar kamer 113: ‘…vooruit, eropaf!… klop! Klop! Geen antwoord… de loopjongen met “loper” doet open… een vrouw komt uit het donker te voorschijn, een donkere schoonheid… ontblote boezem, verwarde haren…’ We belanden in een orgie. De aanslag op Hitler wordt gevierd: ‘Ha, daar zie ik aan de muur een grote foto van Hitler, op z’n kop gehangen… met een rouwband… dwars eroverheen… ze waren vast zijn dood aan het vieren.’

‘Heute Mahagonny,’ stond er op een banier naast het theater tijdens ons verblijf. ‘Songspiel / Lehrstück’ van Bertolt Brecht, muziek van Kurt Weil. Een mooie kans ‘der prunkvolle Innenraum’ van  het theater (Neubarock) te bekijken. Het stuk gaat over goudkoorts, hebzucht, drank, seks. De hel. Al willen de mensen daaraan juist ontsnappen. Maar Brecht wist na de Eerste Wereldoorlog: de mens is slecht. Daarom moet er iets boven de mensen gesteld worden. Een idee. Een geloof. Het marxisme als uitgangspunt van dialectisch toneel met tragische en komische scènes. Het publiek wordt een spiegel voorgehouden. Mahagonny is een soort luilekkerland in Amerika. Een welhaast bijbels paradijs dat door het gedrag van de mensen tot de ondergang is gedoemd.

Ook Mahagonny verbeeldt het casino van de historie, het snorren van het benen kogeltje in de holte van de roulette. Rouge, noir, impaire, passé, zéro! Faites le jeu, messieurs! Rien ne va plus! Het is het lot van de mens in de strijd van allen tegen allen:

Maar die hele stad van Mahagonny
heeft niets wanneer je geen geld hebt.

Het is de ironie van het lot dat uitgerekend in Baden-Baden dit stuk in 1927 in première ging onder geschreeuw, gefluit, applaus en boegeroep van het welgestelde publiek. Enkele jaren voordat het slechte in de mens zich opnieuw zou manifesteren. En daarna steeds opnieuw.

Nico Keuning