Opinie: Marjonne Maan – Over karikaturen en oude reflexen – Joost de Vries over Martha Gellhorn
Over karikaturen en oude reflexen
Laat ik beginnen met iets te vertellen over het boek van Alicja Gescinska. In Vrouwen in duistere tijden portretteert zij tien vrouwelijke denkers die leefden en dachten onder extreme historische omstandigheden. Gescinska, geboren in Polen en opgegroeid in België, staat bekend om haar werk over vrijheid en verantwoordelijkheid. In dit boek onderzoekt ze hoe vrouwen als Hannah Arendt, Simone Weil, Etty Hillesum en Martha Gellhorn hun innerlijke vrijheid wisten te bewaren in tijden van totalitarisme, oorlog en vervolging. In een reeks essayistische portretten laat ze zien hoe leven en denken bij deze vrouwen onlosmakelijk met elkaar verbonden waren.
Zij zet deze vrouwelijke denkers daarbij nadrukkelijk niet neer als slachtoffer. Wel wordt duidelijk dat de filosofie eeuwenlang is gedomineerd door mannelijke stemmen, terwijl vrouwelijke denkers structureel werden gemarginaliseerd of vergeten. Pogingen om vrouwen alsnog een plaats te geven in de filosofische canon, verlopen tot op heden moeizaam. In haar boek toont Gescinska hoe belangrijk herkenning en identificatie zijn, zeker voor vrouwen die zich lange tijd niet gerepresenteerd zagen in de filosofische traditie.
In zijn essay in de Volkskrant gaat Joost de Vries aan de historisch-maatschappelijke nuances voorbij. Hij creëert een valse tegenstelling, tovert het bekende cliché van de femme fatale weer tevoorschijn en blijkt opvallend asymmetrisch in zijn beoordeling van Ernest Hemingway en Martha Gellhorn.
De Vries begint met een karikatuur van de benadering van Gescinska door te suggereren dat wie structurele ongelijkheid benoemt, automatisch vervalt in ideologisch denken. Individuen worden volgens hem tot symbolen gemaakt. Vrouwen zijn daarin slachtoffers of martelaren. Zijn eigen interpretatie, sterk gericht op psychologische motieven, presenteert hij impliciet als rijker en genuanceerder. De Vries positioneert zichzelf zo als spreekbuis van redelijkheid tegenover de ‘ideologische’ Gescinska.
Hoe ironisch is het dan dat hij zelf teruggrijpt op een oud en problematisch frame van vrouwen. Hij opent zijn stuk met een bijna filmische beschrijving van de eerste ontmoeting tussen Hemingway en Gellhorn: haar ‘blonde haar’, ‘korte broek’, ‘goeie benen; goeie álles’. Later haalt hij schrijvers aan die suggereren dat Gellhorn Hemingway ‘zou krijgen’. Hij verwijst naar opmerkingen dat zij niet verliefd was maar hem bewonderde, en dat het ‘handig’ was bij iemand te horen. Vervolgens relativeert hij Gescinska’s formulering over verbondenheid tussen lichaam en geest met de opmerking dat Gellhorns blonde haar en lange benen ‘ook een rol’ zullen hebben gespeeld.
Door te focussen op Gellhorns uiterlijk en vermeend strategisch ingezette seksualiteit herhaalt hij het cliché van de ambitieuze, manipulatieve vrouw: de femme fatale. Het is een framing die vrouwen al erg lang achtervolgt. De Vries vervangt het ene zogenaamde ‘sjabloon’ door een hardnekkig beeld. Een plat en nogal seksistisch beeld.
Dan de morele asymmetrie. Hemingway is ‘intens treurig’, een man die verlamd raakt door zijn eigen mythe. Zelfs zijn machogedrag en toxische trekjes krijgen bij De Vries een bredere duiding. Bij Gellhorn is de toon anders. Haar latere standpunten over Israël en Palestina worden nadrukkelijk opgevoerd. Maar háár morele misstappen zijn in het betoog van De Vries een bewijs om te zeggen: zie je wel, ze was geen martelares, en geen slachtoffer. De morele tekortkomingen van de man vergroten zijn menselijkheid; die van de vrouw worden ingezet om haar positie te relativeren.
De Vries presenteert dit allemaal met nuchterheid, terwijl hij Gescinska wegzet als iemand met feministische oogkleppen op die geen morele ambiguïteit toelaat. Maar die pose van redelijkheid, op licht ironische en licht superieure toon, verhult een opvallend dunne analyse.
Wat steekt, is dit: het boek Vrouwen in duistere tijden voegt iets nieuws toe doordat Gescinska vrouwen als denkers serieus neemt, inclusief hun tegenstrijdigheden en tekortkomingen. Het essay van De Vries laat alleen vertrouwde reflexen zien. Hij geeft een karikaturale schets van feminisme en dist de bekende clichés over vrouwen én mannen nog eens op. Van een literair criticus mag meer worden verwacht dan deze herhaling van zetten.
Marjonne Maan
(Foto Martha Gellhorn en Ernest Hemingway in China in 1941, publiek domein, via Wikimedia)
