Recensie: Maartje Kouwen – Duinwachters
De Wadden verbeeld
In Maartje Kouwens nieuwste jeugdboek, Duinwachters, moet een jongen noodgedwongen de zomervakantie doorbrengen bij z’n opa en oma, die op een Waddeneiland wonen. Saai, denkt hij, maar al snel ziet hij iets waar zijn opa van schrikt. Dit lijkt het begin van een spannend avontuur. Wie zijn die Duinwachters?
Omdat Tibes vader en moeder moeten werken, logeert hij bij z’n opa en oma, twee uiterst aimabele senioren, die hun dagen slijten met klussen, vogels spotten en koken, waarbij de rolverdeling helaas traditioneel is: opa springt regelmatig op de fiets met de verrekijker, terwijl oma jam maakt, taart bakt, bietjes schilt, boontjes dopt, jam maakt en taart bakt. Tibe gaat af en toe met opa mee en leert dan van alles over vogels, bijvoorbeeld dat een scholekster doet alsof ’ie gewond is, als je te dicht bij zijn nest komt. Hij sleept dan met zijn vleugel over de grond en loopt weg van het nest, zodat je hem zult volgen en op veilige afstand raakt van het nest. Over hokkers en wippers, over hoe je de ringen aan de poten van de vogels af kunt lezen en over de zilverplevier, die er ’s winters anders uitziet dan ’s zomers.
Hierin herkennen we de bioloog en journalist die Maartje Kouwen is, want zij verdiende haar sporen in de jeugdliteratuur met non-fictie voor kinderen. Eerder publiceerde zij al het Blaadjesboek, Wildzoekers in de stad, Wildzoekers op het strand en Wildzoekers in het bos. Kouwen is onderzoeksjournalist en dat lijkt haar in de weg te zitten bij het schrijven van Duinwachters, want ze pompt het boek vol met feitjes en laat daarmee weinig tot niets aan de verbeelding van de lezer over.
De illustraties in zwart wit zijn in aard heel verschillend. Bovenaan de hoofdstukken staan telkens aantrekkelijke, schetsmatige afbeeldingen van allemaal verschillende vogels, terwijl de overige illustraties door een computer gegenereerd lijken te zijn, zo strak van lijn en met personages die weinig karakter hebben. De omslag van het boek is in nog weer een andere stijl en erg aantrekkelijk. We zien overdwars strand en duinen in warmgeel en een diepblauwe zee. Rechts bovenin een rood met witte vuurtoren en schuin over dat alles vliegt een scholekster die met zijn zwart witte veren en rode snavel mooi contrasteert. Hoe zit het met al die verschillende stijlen? In het colofon kun je lezen dat de getekende vogels van de hand van een echte Opa Sipke zijn! Dat is leuk om te weten. In het boek is opa Sipke bioloog. Hij houdt al jaren boekjes bij, over de vogels die hij spot. De overige illustraties in het boek zijn van (de hand van?) Eef Verburg.
Het boek begint spannend: als Tibe alleen op pad gaat en een uitkijktoren naast de vuurtoren beklimt, ziet hij in het natuurgebied op de Punt een groepje mensen met een auto. Dat vindt hij vreemd; er mogen daar toch geen auto’s komen? Als hij dit ’s avonds aan tafel vertelt, verslikt opa zich bijna in een aardappel. Haastig en abrupt staat hij op van tafel en gaat bellen. Tibe hoort slechts halve zinnen. Iets met verkennen op de Punt. Het is blijkbaar geheim en daardoor stijgt de spanning, want wat is er aan de hand? Iets met smokkelaars? Illegale vluchtelingen? Duikers die goud uit oude scheepswrakken willen halen? Of staan de Russen voor de deur? Mogelijkheden genoeg en als lezer verwacht je wat, temeer omdat opa aanvankelijk niet lijkt te willen praten. Helaas wordt in hoofdstuk 4 al duidelijk wat er aan de hand is: Aannemer Ploegstra, alleen de naam al is een anticlimax, wil bouwen op de Punt en dat is niet eens illegaal. Er wordt nog geprobeerd hier toch iets spannends van te maken, door Ploegstra een schurk te noemen en door Tibe met zijn Indiase eilandvriendin Elfi en een onderzoeksjournalist Ploegstra te laten natrekken. Maar met de verbeelding wil het niet meer echt lukken.
De rol van de vrouwen in dit boek is ook interessant. Genoemd werd al Tibes oma, die haar dagen in de keuken doorbrengt om groente en fruit uit de moestuin te verwerken in pot en pan. ‘Ik ben moe,’ laat ze zich van tijd tot tijd ontvallen, maar dat is geen reden voor opa om haar dan maar eens te helpen in de keuken. Tibes moeder werkt, maar aan een kookboek. En hoewel de vader van Elfi een Indiaas restaurant uitbaat op het eiland, is de moeder schoonmaakster, omdat zij bij moet verdienen om rond te komen. Het geld dat Tibe en Elfi verdienen met de verkoop van spullen van de zolder van zijn opa en oma, schenkt Tibe, als een heuse blanke weldoener, aan de arme migrant.
En natuurlijk is het niet zo dat in de realiteit mannen evenveel in de keuken staan als vrouwen en natuurlijk zijn er vrouwen die schoonmaken en natuurlijk zijn er ook vrouwen met een andere culturele achtergrond die schoonmaken, maar hoeveel realiteit kan een realistisch verhaal hebben? Dat is wel een vraag die zich opdringt bij lezing van het boek. Het is allemaal te gewoontjes, door een niet al te sterk opgebouwd plot en door al die feitjes die Maartje Kouwen maar over de lezer uit blijft storten. Bijvoorbeeld ook over de glutenintolerantie van Tibe.
Daar waar enige ruimte voor de verbeelding van de lezer overblijft, bijvoorbeeld over op welk Waddeneiland het verhaal zich nu eigenlijk afspeelt, daar helpt Kouwen dat definitief om zeep achterin het boek, waar ze je nog eens precies vertelt hoe het allemaal zit. Zelfs een realistisch kinderboek mag de waarheid geweld aan doen, maar dat lijkt Kouwen zich niet te realiseren.
In Duinwachters zijn de ingrediënten voor een spannend kinderboek zeker aanwezig, maar Maartje Kouwen heeft haar draai in het schrijven van fictie nog even niet gevonden.
Mariska Venema
Maartje Kouwen – Duinwachters. Met illustraties van Eef Verburg. Lemniscaat, Rotterdam. 172 blz. € 15,99.