Schrijversbiotopen: Nader tot Geert Reinders in Bedum en Winsum
Nader tot Geert Reinders in Bedum en Winsum
Afgelopen jaar bezocht ik twee keer Bedum, één keer Winsum: eerst een lange reis naar Groningen (’Hoofdstation’) en dan met een stoptrein voort. In Bedum, in de brandende zon, om de begrafenis van mijn tante Annie bij te wonen. Samenkomst in de Maria ten Hemelopneming, de kerk waar ik gedoopt ben en nu veel hoorde over het leven van mijn oom en tante. Na afloop een onmogelijk lange wandeling naar de koffietafel, langs de enorme protestantse school die er in de verhalen van mijn vader als een vesting uitzag. Nooit eerder gezien. In april, een paar maanden voor het tweede bezoek, naar Bedum om te zien of mijn geboortehuis nog intact was. Nee, foetsie, de rest van de Almastraat stond op het punt die zelfde weg te gaan. Dan maar even naar de begraafplaats achter de katholieke kerk, ja, mijn grootouders, die lagen er nog wel, ook oom Wiebe, onwetend van de nabije komst van tante Annie.
Mij heugden gelukkige uren als broekeman in de tuin van mijn grootouders, kruisbessen en het tevreden gehum van mijn grootvader. Ik vroeg er zelden naar de tijd.
Bedum? In mijn jaren als leraar kwam ik er fier voor uit een Bedumer te zijn: ‘to be or not to Bedum’, ‘ich bin ein Bedumer’, dat werk. Het was mijn geboorteplaats en dat voorrecht deelde ik met mijn vader, mijn oudste zus en Arjen Robben. Een dierbaar rijtje, in de gloriejaren van Robben zelfs een indrukwekkend rijtje. ‘Als u in Bedum komt, kunt u dan een handtekening van Robben versieren?’ ‘Ik zal zien, wat ik kan doen,’ maar zo vaak kwam ik niet in mijn geboortedorp.
Toen ik ook vorig jaar op weg naar Baflo – vrienden, goede vrienden – in Winsum de trein verliet, was het de vraag of ik daar het mooiste dorp van het land ging zien. Dat had ik ergens gelezen over Winsum en waarachtig, om het op zijn Gronings te zeggen: het viel niet tegen. Op weg naar het schilderachtig centrum een mooi kerkje, even van binnen bekeken en buiten lag een even oude als frisse grafsteen. Geert Reinders!!

Grafsteen Geert Reinders in Winsum
Er was nog er nog een die in het rijtje van befaamde Bedumers paste: de boer Geert Reinders. Hij lag dan wel begraven in Winsum, maar hij was in 1737 in Bedum geboren, naar eigen zeggen ‘een aanzienlijk dorp in de Groninger Ommelanden’. Zijn vader maalde koren en zag zijn zoon liever als een aankomend molenaar en een oppassend christen dan als een jongen die kon lezen en weet had van de wereld. Geert had naar eigen zeggen mazzel met zijn oom. Die stopte hem nu en dan leesvoer toe. In 1749 verliet Geert Bedum, hij volgde zijn vader ‘na de Aduarder Zijl onder Garnwert’. In zijn autobiografie, op gevorderde leeftijd geschreven, zei hij te beschikken over een ‘schoone en Rijzige gestalte’, was hij vaardig in het kaatsen en schaatsen en maakte zijn hartelijkheid hem ‘bemind bij de schoone sexen’. En hij las Fielding, Tom Jones. Ook in andere autobiografieën, bijvoorbeeld die van John Gabriel Steadman, wordt de lectuur van het werk van Fielding genoemd en meer dan eens lijkt de vrolijke beschrijving van het eigen leven daar gemodelleerd naar de romanheld, maar Reinders veroorlooft zich in zijn relaas geen ondeugende zijsprongetjes.
In 1757 trouwde Reinders, weer even werkzaam op een korenmolen in Bedum, Angenietje, een boerendochter, nadat hij vergeefs had gedongen naar de hand van een domineesdochter uit Zuidhorn. De verse schoonfamilie baande hem de weg naar ‘den boerenstand’ en hielp bij de aankoop van een boerenwoning ‘in de hoek onder Garnwert’. Naar eigen zeggen ging het in het begin ‘niet voorspoedig’, ‘voornamelijk uit hoofde van de toen heerschende veepest’. Dat was niet best en toch ging het Reinders na verloop van tijd beter en beter.
In de tweede helft van de achttiende eeuw beleefde de agrarische sector gouden tijden. De prijzen van onder meer graan stegen, de boeren zagen hun welvaart groeien. Bijzonder is dat de boeren in die decennia niet achterover leunden en zich beperkten tot tevredenheid, zij maakten van tijd en geld gebruik om zich aan te sluiten bij de Verlichting: zij verenigden zich in agrarische genootschappen en kochten boeken. De boer moest mens worden, zijn leven aangenamer en zijn bedrijf beter bestand tegen de grillen van de natuur.
Een van die grillen, lang gezien als een straf van God, was de veepest. Tal van moderne boeren bestreden die pest niet louter met gebed, maar met inentingen van hun vee. Zij experimenteerden en legden zich niet lamlendig neer bij de (conservatieve en thans weer veel gehoorde) gedachte dat ‘het is zoals het is’. Die ondernemende boeren hadden leren lezen en vonden geestverwanten in geleerden als Petrus Camper. Meer dan eens deden zij bij die stadse geleerden inspiratie op.
Niet alle proeven slaagden, maar uiteindelijk bleken de inentingen succesvol. Reinders werd daarvoor in Holland gehuldigd en met geldbedragen beloond. Tijdgenoten vergeleken hem met de boerendichter Poot, waarmee zij Reinders naar eigen zeggen ‘veel Eer aandeeden’.
Heel opmerkelijk is de politieke loopbaan van Reinders. Uit mededogen met de onderdrukte Amerikanen koos hij partij tegen de stadhouder, die naar het oordeel van veel patriotten zijn oren te veel liet hangen naar de Britse onderdrukkers. Reinders’ loopbaan culmineerde in 1798 in het lidmaatschap van de Nationale Vergadering. De boer was niet alleen mens geworden, maar zelfs een meneer. Ook in de nieuwe eeuw bleven de eerbewijzen hem opzoeken … en toch zocht hij in 1812, drie jaar voor zijn overlijden, in een autobiografie bevestiging van zijn faam als ‘Enter’ en man van de Verlichting. Wilde hij het maar eens gezegd hebben? Verweerde hij zich zo voor latere generaties tegen de claims van tijdgenoten als Camper en de Friese dominee-boer Alta, dat niet Reinders maar zij de veepest beslissend bestreden hadden? In Winsum houdt iedereen vast aan Reinders, in Bedum ook.
Peter Altena
J. Tersteeg (ed.) – De levensschets van Geert Reinders 1737-1815. Historische Uitgaven Winsum-Obergum, Winsum, 1998.
(foto boven: Kerk Winsum)


