Nieuws: A.H.J. Dautzenberg fileert kritiek van Carel Peeters
In januari verscheen op de site van Vrij Nederland een recensie van En garde!. Een dubbelrecensie, want Carel Peeters en Dieuwertje Mertens bogen zich over het boek. In een brief aan Carel Peeters gaat Dautzenberg in op zijn deel van de recensie, met als titel ‘Het vele poepen van Anton Dautzenberg‘. De brief was eerst gericht aan de redactie van Vrij Nederland, maar daar hoorde Dautzenberg niets meer van en vandaag heeft hij de brief op zijn eigen site gezet. Op de vele vragen die Peeters in zijn recensie stelt (‘Natuurlijk is hij een sympathieke dwarskop, maar is hij niet eenvoudig een beroepsprovocateur?’) krijgt hij een uitvoerig antwoord. Dautzenberg komt uiteindelijk tot deze conclusie:
EN GARDE! is verder niet besproken in de Nederlandse media – je hebt samen met je secondant de geurvlag geplant: pas op, poep! In Vlaanderen heeft het boek meer aandacht gekregen en de besprekingen getuigen van een zorgvuldige lezing. Mochten jij of je secondant nog eens een boek van mij bespreken, dan hoop ik dat jullie je concentreren op de vorm en niet op de (verketterde) vent. En wanneer jullie niet de daadkracht en/of interesse kunnen opbrengen om het volledig te lezen, laat het dan alsjeblieft links liggen. Dank.
Lees de hele brief hier.

Wat A.H.J. Dautzenberg is overkomen is iets waar ik hier eerder op heb trachten te wijzen: Dat veel literatuurcritici, te vinden bij bijvoorbeeld de Volkskrant, NRC, de Groene, Vrij Nederland, niet een literaire tekst beoordelen voor wat die is, namelijk een literaire tekst, maar er allerlei dingen bij halen: het onderwerp van de tekst (of het relevant is voor de recensent en de juiste politieke opvattingen weergeeft) en vooral de auteur van de tekst (gedeelde opvattingen met de recensent, of nog liever, behorend tot de causerie van de recensent).
En zo komt het dat het grote publiek, dat nu eenmaal minder kijk heeft op de literaire kwaliteit van een tekst, wordt overgehaald door juichende recensies om allerlei teksten tot bestsellers te maken, teksten die, in literaire zin ronduit slecht zijn. Op de lange duur zou dit wel eens schadelijk kunnen zijn voor de Nederlandse literatuur.
Hoe is het zo gekomen? Het is ergens wel normaal gedrag voor middelmatige recenten (niet voor goede recenten als Michel Krielaars en Margot Dijkgraaf, bijvoorbeeld). Het erge is dat dit gedrag als het ware genormaliseerd door iemand als Elsbeth Etty, in navolging van Menno ter Braak. Daarover is jaren geleden een felle polemiek gevoerd met W.F. Hermans (die als altijd gelijk had) en die Elsbeth Etty er zelfs toe bracht haar ware aard te laten zien door aan het Festschrift ‘Hermans Honderd’ een bijdrage te leveren met als ondertitel ‘De verwerpelijke methode van Hermans als criticus’.
Ik heb mij vaak verwonderd over gedrag en opvattingen van Elsbeth Etty. Het enige wat ik kan bedenken is dat zij nauw aansluiten bij haar communistissche sympathieën. In de Sovjet-Unie speelde de kwaliteit van muzikale composities, van literair werk, of van wetenschappelijk onderzoek nauwelijks een rol, als de persoonlijke opvattingen van de componist, auteur of wetenschapper maar pasten bij de partijlijn. En zo werden fenomenale schrijvers Boris Pilnjak en Isaak Babel domweg gefusilleerd, en een nog briljantere schrijver als Andrej Platonov, na de moord op zijn zoon, tot op het bot vernederd.
Zo erg als in de Sovjet-Unie is het hier gelukkig niet, al zal A.H.J. Dautzenberg diep gegriefd zijn omdat zijn werk op grond van zijn persoon is afgekraakt. Nou heb ik grote bewondering voor de intellectuel vermogens van Elsbeth Etty, maar het is toch wel triest, voor haar en voor ons, dat zij aan de basis staat van de tweederangs literaire kritiek die nu kranten en tijdschriften zo onleesbaar maakt.