Recensie: Paco Cerdà – Wij waren hier
Mars van een fascistische mythe
In november 1936, vier maanden na het uitbreken van de Spaanse Burgeroorlog werd José Antonio de Rivera y Sáenz de Heredia in Alicante geëxecuteerd. Hij was de oudste zoon van Miguel Primo de Rivera y Orbanejo, die tussen 1923 en 1930 dictator van Spanje was met instemming van de koning. José Antonio was oprichter van de Falange Espanol (FE) en werd in 1934 nationaal leider van FE de las JONS, een beweging die in haar programma fascisme verbond met populistisch-socialistische en ‘traditionele Spaanse en katholieke waarden’. In de praktijk ging het om geüniformeerde knokploegen – ‘oudhemden’, naar Mussolini’s zwart- en Hitlers bruinhemden, naar toch nèt anders – die zich met straatterreur keerden tegen alles wat links was, inclusief het republikeinse staatsgezag, uitgeoefend door een coalitieregering van gematigd- en radicaal-linkse partijen. Begin 1936 werd FE de las JONS verboden. José Antonio de Rivera werd gearresteerd en veroordeeld tot de doodstraf. Het lijkt erop dat die inderhaast werd uitgevoerd, beroepsprocedures negerend, vanwege de nadering van Franco’s rebellenleger.
In 1939 eindigde de slachtpartij van de Spaanse Burgeroorlog met een overwinning van de door Franco geleide opstandelingen. Gedurende de oorlogsjaren was door de fascistische propagandamachine een mythe rond José Antonio geweven waarin hij welhaast als een Spaanse, eigentijdse Christus verscheen. ‘Eerste onder de Gevallenen’, ‘Glorierijke Martelaar’, ‘De Profeet’, ‘De Bruidegom van Spanje’, ‘De Nimmer Gestorvene’, ‘De Eeuwige Caesar’: het is maar een greep uit de epitheta waar de Spaanse fascistische pers hem mee eerde. Te zijner nagedachtenis, als eerbewijs en als vertoon van triomf groeven zijn falangistische kameraden hem op, namen de kist met zijn lijk op hun schouders en droegen die in processie naar het Escoriaal, een mars van 467 kilometer, waar hij een rustplaats moest krijgen te midden van de tombes met stoffelijke overschotten van vorsten en vorstinnen.
In Wij waren hier volgt Paco Cerdà (1985), Spaans journalist en schrijver, deze trage voettocht van elf dagen en tien nachten. Traag, want de passen van de dragers van de kist waren afgemeten op 30 centimeter, zoals dat kennelijk hoort. Elke etappe maakt Cerdà een zijstap naar vaak ontroerende wederwaardigheden tijdens de oorlog van mensen die op de een of andere wijze met het etappegebied of met de tocht verbonden waren.
In de dorpen en stadjes die de colonne doorkruist zijn de straten omzoomd met aanhangers, of met inwoners die voorwenden dat te zijn, die de fascistengroet brengen en het Falangistische ‘José Antonio – Presente!’ roepen. Cerdà heeft niet veel woorden nodig om te verbeelden wat je een Spaanse variant op de Russische Potemkindorpen zou kunnen noemen: de hagen van de uitgelopen mensen die José Antonio als een heilige lijken te vereren en Franco’s triomf vieren of dat lijken te doen, onttrekken de ellende en de puinhopen van wat de burgeroorlog heeft aangericht aan het zicht.
Waar zijn zij die de opstand niet steunden, of zelfs daartegen vochten? Sommigen hebben zich verstopt en zullen nog jaren verstopt blijven, andere zijn gevlucht naar Portugal, of over de Pyreneeën naar Frankrijk, waar velen werden geïnterneerd om tijdens de Duitse bezetting te belanden in concentratiekampen. Maar de meesten zijn gevangen genomen en worden, als ze niet geëxecuteerd zijn, in Franco’s Spanje als dwangarbeider ingezet.
Wij waren hier is een fascinerend boek. Het is geen fictie, maar ook geen puur feitelijk verslag: Cerdà heeft zichzelf toegestaan gaten tussen de feiten verhalend te vullen en stemmingen van personages weer te geven, waarover de documenten niks zeiden. Maar hij gaat daarin nergens te ver en bovendien doet hij dat in een stijl die tegelijkertijd beeldend en aangrijpend is én zakelijk en beknopt.
Hans van der Heijde
Paco Cerdà – Wij waren hier – de erfenis van de Spaanse Burgeroorlog. Vertaling uit het Spaans: Catharine Blaauwendraad.. Meulenhoff, Amsterdam. 336 blz. € 26,99.
