Recensie: Thomas Mann – Verzamelde verhalen
Fijne paljassen
Een van de belangrijkste taken van een uitgever, die door de jagers op bestsellers, gedreven door marketingmanagers steeds vaker over het hoofd wordt gezien, is het beschikbaar houden van klassiekers, het in stand houden van een canon, een nieuwe generatie lezers kennis laten maken met teksten, met gewoonten, inzichten uit andere tijden, met uitzonderlijke kwaliteit. Het verdient dan ook alle lof dat Van Oorschot de verhalen en novellen van Thomas Mann (1875 – 1955) uit het begin van de twintigste eeuw, en in het geval van de eerste acht teksten van net voor 1900, heeft gebundeld in Verzamelde verhalen. Vertaalster Ria van Hengel – winnares van de Martinus Nijhoffprijs – weet als geen ander de tekst in ere te houden en deze toch op te frissen. Er als het ware een doorschijnend vel op te leggen, waardoor het origineel ‘meewerkt’. Terecht knutselt zij verder niet aan de uitlatingen van de personages en de alwetende verteller, die in het licht van de tijd moeten worden gezien, en die bovendien voor rekening zijn van de protagonisten.
Hengel:
Ook kom je termen tegen die wij niet meer willen gebruiken of die we zelfs als schokkend ervaren. Het is mijn overtuiging dat dat in vertaling niet weggewerkt mag worden. Het maakt deel uit van het kunstwerk en weerspiegelt een historische werkelijkheid. Bovendien zou het van willekeur en arrogantie getuigen om vanuit de wens bepaalde groepen mensen niet te kwetsen een eigen keuze te maken…
Duidelijker kun je het niet uitleggen, steekhoudender niet beargumenteren. Voor ligt dus een ongecensureerde versie, waarop, wanneer je enkele originelen ernaast legt, vertaaltechnisch geen enkele op- of aanmerking is te maken. De vertelkunst bloeit al vanaf het debuutverhaal Gevallen uit 1894, het oog voor detail, zonder te vervallen in breedsprakigheid of onnodige uitweidingen, is heel treffend, doelbewust, draagt bij aan de essentie van elk verhaal.
Naast bekende teksten als De dood in Venetië, Tonio Kröger en Mario en de magiër (hier uiteraard in volledigheid te lezen, pakweg vijftig pagina’s lang, mooi in vergelijking met de kunstige ‘samenvatting’ in de beeldversie van Koenraad Tinel en Els Snick) zijn er gelukkigerwijs ook verhalen opgenomen die nog nooit in het Nederlands zijn vertaald. Dat geeft een dergelijk verzameld werk een meerwaarde, maakt het daadwerkelijk, beter invoelen in het oeuvre van een groot schrijver mogelijk.
De 740 pagina’s schrikken daarbij in het geheel niet af. Nederlandstaligen hebben zich de laatste jaren gelukkig wat meer leren inleven in het fenomeen van de novelle, van het verhaal. Je hoeft het boek niet van kaft tot kaft achter elkaar uit te lezen. Juist de Verzamelde verhalen van Thomas Mann lenen zich heel goed voor het herhaaldelijk oppakken, om een korte of wat langere tekst tot je te nemen. Er zijn daarnaast genoeg verbanden te vinden. Op een bepaalde manier is het ook troostrijk om na het lezen van een roman of bundel van een andere auteur weer terug te keren naar een dergelijke verhalenbijbel. Uiteindelijk ondersteunt het ook zijn grote romanwerk, kijk je daar na lezing van het werk op de relatieve korte baan toch net met een verschoven blik naar.
In pakweg de eerste tien verhalen psychologiseert Mann heel fijntjes weg. Je hebt te doen met de protagonisten, die als romantici behoorlijk aan het leven lijden. De verhalen zijn doordrenkt, geestig, opvallend volwassen indien je bedenkt dat ze door een begin twintiger geschreven zijn. De ‘diepe gesprekken’ in Gevallen, waarbij een van de personages langs handige omwegen precies bij zijn stokpaardje uitkomt. Is de man die een meisje verleidt en haar dumpt niet net zo goed een ‘gevallen man’?
Mann drijft hier – let wel 1894, hij is dan 19 jaar oud – een milde spot met de romantiek, de ‘stille Duitse lyriek’, de verliefde man die gedichten gaat schrijven. ‘Al zijn zinnen waren lente.’ In een vriendengroepje vertelt een van hen een verhaal over een hopeloos verliefde man, een vrouw waarbij hij zich in de gewone omgang niet ongedwongen kan geven, door wie hij zich omdat hij de sociaal zwakkere is laat uitfoeteren. Totdat ze hem weer toelaat. Na het vertellen van het verhaal zijn de vrienden niet vrij van weemoed. Een van hen vraagt aan de verteller hoe hij dit alle zo precies weet. Tja, hij is zelf die ‘goeie vent’. Een sterke vorm, een dwingend geschreven verhaal. Een personage waarmee je meeleeft, mee van doen hebt.
In De wil tot geluk wordt aan een ziekelijk jongmens de hand van een jongedame geweigerd. Totdat na vele jaren de bezwaren worden opgeheven. En dan is er op de gezichten van beide geliefden de ‘plechtige, sterke ernst van de triomf’ te zien. Ja, er is de wil tot geluk, waarmee de dood een tijd kon worden bedwongen. Het is de aanstekelijke, lichte toon die de personages zo krachtig tot leven brengt. Tongue in cheek.
De taal is volgens mij rijk, is overstelpend rijk vergeleken met de gebrekkigheid en de beperktheid van het leven. […] Ik geloof van maar heel weinig mensen dat ze wat het leven betreft instemmen met de grote woorden van de schrijvers – het is lafheid en leugen! […] Hebt u trouwens gemerkt, mijnheer, dat er mensen bestaan die zo ijdel zijn en zoveel behoefte hebben aan de waardering en de heimelijke jaloezie van anderen dat ze doen alsof ze uitsluitend de grote woorden van het geluk hebben ervaren, maar niet die van het lijden?
Wat een heerlijke zonderlingen en paljassen herbergen de eerste tien verhalen, ze wekken mededogen op, zijn uiterst menselijk. De kleine heer Friedemann die zich min of meer neerlegt bij het leven, die denkt dat hij ‘zonder vrees en hoop’ de rest van zijn leven kan uitzingen, kan overzien. Maar onverwacht slaat het leven toch een klauw in hem.
Tobias Mindernickel wordt op straat door de jeugd bespot. Het ziet ernaar uit dat er voor hem op aarde niets te doen valt. Hij blijft binnen bij zijn bloempot met aarde waaruit nooit iets opkomt. Wanneer een van de pesterige jongens struikelt draait Tobias zich om en verbindt de wond met zijn zakdoek. Voor even loopt hij met geheven hoofd, met ogen met glans rond, met om zijn mond ‘een trek van pijnlijk geluk’. Maar dat kan natuurlijk niet lang aanhouden. Als vanzelf duikt hij op straat weer in elkaar. Wanneer hij uitzonderingsgewijs buiten is, koopt hij een jong jachthondje, houdt het binnen, koestert het, kastijdt het ongenadig, koestert het, leeft zich op hem uit.
Het meest aangrijpend in deze eerste sectie is de novelle De paljas. De paljas heeft een schriftje genomen om daarin zijn verhaal op te schrijven omdat uiteindelijk de zelfwalging hem verstikt. Hij heeft zich er altijd tegen verzet om een mens van de daad te zijn. Hij heeft zich tegen de keer in – een echte schrijver – teruggetrokken in de vredigste eenzaamheid, waardoor de wisselvalligheden van het bestaan hem uitsluitend ‘van binnen kunnen overvallen’. Hij zal daarin zichzelf moeten zien te blijven, ‘of je nu een held bent of een dwaas.’ Prachtig, raak, een adagium voor de kunstenaar.
Zijn moeder onderkent zijn zachte kant, zijn verschillende talenten. Hij heeft als kind een poppentheater waarmee hij drama’s opvoert, vanwege ‘een aanslag die smaak verraadt’ krijgt hij pianolessen. De vader, een zakenman, vindt dat zijn zoon vooral paljassentalent heeft. ’Clownerie en gekheid.’ De bierkaai waartegen de creatieveling al sinds mensenheugenis dient te vechten. Maar de paljas bekijkt zijn paljassentalent van de opgewekte kant, heeft geld geërfd, reist stad en land af en is ‘vrolijk bereid’ om van zijn manier van leven te genieten, tevreden te zijn met zichzelf.
En dan duikt er een Fraulein op. Die zich, zo blijkt uiteindelijk, ook nog afgeeft met een man met een enorm zelfbewustzijn. Maar de paljas heeft geen zin om over hem ook maar een minachtend woord te spreken, om het een alinea later een nietsnut te noemen.
Aanvankelijk dacht de paljas, de schrijver, het hele voorval bellettristisch te bekijken en beschrijven, het geheel het etiket ‘ongelukkig liefde’ mee te geven.
Dwaasheid natuurlijk. Aan een ongelukkige liefde ga je niet te gronde. […] In een ongelukkige liefde kun je jezelf nog behagen. Maar ik ga te gronde aan het feit dat het hopeloos gedaan is met mijn zelfbehagen! […] als je laat zien dat je jezelf veracht, dan zal men je daarin blindelings bevestigen.
De paljas geeft, helaas, uiteindelijk toe. Zijn vader had gelijk, hij is een paljas. Het is allemaal ijdelheid. Hij zal er aan moeten wennen dat hij een ‘ongelukkige, belachelijke figuur’ is. Moet hij er misschien een einde aan maken? Te heldhaftig vindt de paljas. Och arme, wat een kracht wanneer je als piepjonge schrijver dergelijk intrigerende beschouwingen voor het voetlicht kunt brengen. Wordt vervolgd…
Guus Bauer
Thomas Mann – Verzamelde verhalen. Vertaling Ria van Hengel. Van Oorschot, Amsterdam. 740 blz. € 45.
