Column: [Sic] – Houd jij eigenlijk wel van poëzie, werd me gevraagd na Poëzie in Carré
Houd jij eigenlijk wel van poëzie, werd me gevraagd na Poëzie in Carré
Net zoals driekwart van poëzieminnend Nederland was ik op maandag 13 april bij Poëzie in Carré, dat georganiseerd werd door de Poezieboys en Joost Oomen. Het evenement was een soort van eerbetoon aan de eerste editie in 1966, waarvan iedereen steeds zegt dat die legendarisch was en dat moet je dan maar aannemen. Zoals eerder al beschreven ben ik fan van de uitbundige manier van presenteren van de Poezieboys en daarom had ik een leuke avond. Legendarisch was het niet, hoe erg sommige aanwezigen daarna op social media ook hun best deden het tegendeel te beweren. Een legendarische avond kan je niet plannen en zeker niet kopiëren. Wanneer Carré iedereen om twaalf uur de foyer uit veegt, krijgen dierbare herinneringen trouwens sowieso een nekschot.
Enigszins verrast was ik dat ik na afloop in discussies verzeilde met (niet-optredende) dichters die zich geërgerd hadden aan de losse en jolige presentatie van de Poezieboys en Oomen. Volgens hen leidde ze af van de poëzie. Het ergst in zijn wiek geschoten was een dichter die walgde van de relativerende ondertoon van de avond. Via zogenaamde verhalen op Instagram gaf hij aan de avond ‘tenenkrommend’ te hebben gevonden en merkte hij op dat poëzie voor hem verdomd veel meer is dan leuk entertainment, terwijl Poëzie in Carré haar daartoe wel reduceerde. Ook vermoedde hij een bepaalde zelfhaat bij de organisatie, die ironie en spot blijkbaar nodig achtte om poëzie te rechtvaardigen.
Een interessante gedachtegang die ik wel kon volgen en tot op een bepaalde hoogte kon delen, maar toch voelde ik de noodzaak een tegengeluid te laten horen. Want wat was het alternatief? Ieder evenement waarin poëzie heel serieus wordt genomen en het entertainment achterwege blijft vind ík dan weer tenenkrommend en bovendien doodsaai. De kritische grens van aaneengesloten naar poëzie luisteren, die bovendien meestal niet voor het podium geschreven is maar voor dichtbundels, wordt bij mij na zo’n halfuur al bereikt. Een poëzie-evenement dat avondvullend is moet wel allerlei tierelantijnen hebben en, ja, graag ook zelfspot en -relativering. Bij de Nacht van de Poëzie, reageerde ik, sta je toch ook in de gangen te wachten tot de tussenacts beginnen?
De dichter was het niet met mij eens en schreef dat poëzie een extreem interessante boeiende kunstvorm is. ‘Als het gedicht goed is, wat heb je dan meer nodig?’
Een gevoelige snaar werd geraakt, want eerder op de avond, vlak voordat Carré de foyer leeg veegde, had een andere dichter gevraagd of ik eigenlijk wel van poëzie hield. Daartoe kwam ze nadat ik zei erg ongemakkelijk te zijn geworden van het opjutten van het publiek door Oomen. Iedereen moest van hem (verwijzend naar Vinkenoog en begeleid door Spinvis) een stuk of tien keer ‘JA’ voor de poëzie scanderen. ‘Daar heb ik dan weer een hekel aan,’ had ik gezegd, ‘niet aan de jolige presentatie, maar juist dat we moeten doen alsof poëzie iets heel speciaals is.’
Poëzie een extreem interessante boeiende kunstvorm die verdomd veel meer is dan leuk entertainment? Ik moet mij inhouden om niet met mijn ogen te gaan rollen. En dat is opmerkelijk voor iemand die regelmatig een gedicht schrijft en nota bene een contract heeft voor een bundel. Voor mij kan een gedicht maken belangrijk zijn, zeker, doordat ze een emotie aanspreekt waar ik moeilijk bij kan, of doordat ze een ritme heeft waar ik goed op ga. Ik merk ook dat mensen geraakt kunnen worden door andermans gedichten. Mijzelf gebeurt dat zo’n vier à vijf keer per jaar. De andere keren begrijp ik het niet, vind ik dat er nodeloos moeilijk of hinderlijk simplistisch wordt gedaan of (veruit het vaakst) neem ik er kennis van. Toch blijf ik terugkomen. Het is net als voetbal: veel wedstrijden zijn eigenlijk best saai, maar je blijft die tv aanzetten in de hoop dat er een memorabele gespeeld wordt. Naar poëzie luisteren is hopen op een verwachting die wordt ingelost, keer op keer, en meestal gebeurt het niet. Een fruitmachine voor intellectuelen.
Het is wel lekker op zo’n avond waarin de poëzie dan toch weer weinig teweegbrengt dat er nog andere dingen zijn om van te genieten. Muziek, sketches, zelfspot, ontmoetingen. Het verbaast me dat er mensen (dichters) zijn die zeggen dat ze genoeg hebben aan de poëzie. Worden zij dan veel vaker geraakt, of waarderen zij de kunstvorm an sich zo dat ze dáár het plezier uit halen en dat al dan niet geraakt worden bijzaak is? Is poëzie voor hen werkelijk iets om keihard ja voor te schreeuwen, om het te verdedigen alsof het een van de pijlers is van het bestaan? Het lukt mij niet eens om me daar een voorstelling van te maken. Ik denk dan meteen dat ze heel hard in een bubbel geloven, dat ze hun bestaansrecht aan de poëzie verbonden hebben en haar daarom moeten opblazen tot enorme proporties.
De een houdt van voetbal, de ander van haken, een enkeling van poëzie. Dat is het voor mij. Wat de in de wiek geschoten dichter als zelfhaat ziet, zou je ook als zelfbewustzijn kunnen kwalificeren. Poëzie is een niche en als je daar geen genoegen mee neemt volg je het spektakel- en zelfspotpad van de Poezieboys. Dan bereik je door het toegevoegde entertainment nog wat extra mensen. Als je er wel genoegen mee neemt, omdat je poëzie intrinsiek zo waardevol vindt dat ze genoeg heeft aan zichzelf, huur je niet Carré maar een containerwoning af. Het mag allebei, maar voor mij is het in die containerwoning te benauwd, kom ik de poëzie te vaak tegen. Ik hou van haar, heus, maar heb soms ook afstand nodig omdat ze me anders na een halfuur al de keel uit hangt.
Heb je dan eigenlijk wel het recht om een dichter te worden, als je zo relativerend over je stiel denkt? Of is center-of-the-world-thinking de minste vereiste? Dat vraagstuk houdt me sinds die discussies bezig en ik kan er maar geen eensluidend standpunt over innemen. Misschien omdat het standpunt waar ik gevoelsmatig naar neig mijn eigen poëziebeleving zou laken.
Martijn van Bruggen
