P.F. Thomése staat deze week in de Volkskrant met een essay over ironie versus oprechtheid in de literatuur. Volgens Thomése leven we in een tijd waar ‘het eerlijke verhaal’ in de literatuur de boventoon voert en tegenover de ironie wordt geplaatst, die het onderspit moet delven. In Édouard Louis ziet Thomése zo’n waarheidsprediker, en hij is geen fan van diens opvattingen:

Zeg het gewoon, spreek je uit. Als schrijver ben je sowieso belangrijker dan het werk dat je maakt. Je bent wat je schrijft, is tegenwoordig: je schrijft wie je bent. Laat het zien. Show it, tell it! De Franse succesboy Édouard Louis vindt het zelfs onze plicht om activistisch te zijn, zoals hij beweert in zijn aan iemand gedicteerde (!) essaybundel Que faire de la littérature?

‘Wat te doen met de literatuur?’ Nou, daar weet meneer zelf het antwoord wel op. Gewoon van dat vraagteken een uitroepteken maken en de lezer confronteren met de waarheid, de werkelijkheid en de echtheid van de situatie. Zelf doet hij dat, zo dicteert hij geduldig, in elk boek opnieuw. Voilà.

Vervolgens zet Thomése via Foster Wallace, Hyde, Otten en Flaubert uiteen hoe we op dit punt zijn aanbeland en hij concludeert dat de oprechtheidswens gedoemd is te mislukken: ‘Maar wie piekert hoe hij een beter mens, ja een oprecht mens kan worden, zal die naïeve staat van zijn nooit en te nimmer bereiken. Wie oprecht wil zijn, kan het niet meer worden.’

Als auteurs het woord oprechtheid al te gauw in de mond nemen is dat volgens Thomése gratuit en een signaal voor literaire onheil:

Oprechtheidsverklaringen omtrent literaire werken roepen bij mij het angstbeeld op van idealistische boeken die over voorbeeldige levens gaan, geschreven door auteurs die geen onvertogen woord gebruiken en zich nooit eens te buiten gaan aan dingen die niet goed zijn voor de mensen, auteurs die in hun zelfverklaarde morele hoogstaandheid een norm hanteren waaraan alles wordt afgemeten en waaraan zij zelf natuurlijk glansrijk voldoen.

Het maakt mij, ik weet ’t even niet anders te zeggen, oprecht kwaad. Maar, zeg ik er ironisch bij, ik kan er ook om lachen. Sowieso bied ik bij voorbaat mijn verontschuldigingen aan. En laten wij ondertussen, de zogenaamd oprechten en de zogenaamd ironischen, in eensgezinde tweedracht verder werken aan ons Zelf, om het te verbeteren en te vervolmaken tot het glimt alsof het zó uit de winkel komt.

Lees het essay hier.