Met Een dichter schreit niet. Aspecten van M. Nijhoffs versexterne poëtica promoveerde Wiljan van den Akker in 1985 aan de Universiteit Utrecht en hij was één van de wetenschappers die het poëticaonderzoek een flinke zet gaf. Aan dezelfde universiteit werd hij hoogleraar. Met collega en vriend Gillis Dorleijn verzorgde hij in de jaren negentig ook het dichtwerk van Nijhoff en vorig jaar verscheen het vuistdikke Een Nieuw geluid, De geboorte van de moderne poëzie in Nederland 1900-1940, een boek waaraan de mannen sinds eind jaren negentig werkten. Over zijn samenwerking met Dorleijn zei hij in een interview met Literatuur in 2004:

‘Misschien werkt het goed omdat we zo verschillend zijn. Qua temperament; Gillis is wat bedachtzamer, ik roep sneller wat. Maar dat verschil valt weg als we schrijven. Meestal gaat het zo: we praten alles door en maken een opzet. Een van ons maakt een eerste ruwe versie en dan gaat de ander daarmee aan de slag. We hebben ook wel stukken verdeeld. Van sommige artikelen kan ik niet meer zien wie wat gedaan heeft. Gillis is mijn soulmate. De meerwaarde van onze samenwerking is heel groot. We brengen elkaar op ideeën die we anders niet gehad zouden hebben.’

Van den Akker was getrouwd met Esther Jansma, die vorig jaar overleed. Samen met haar schreef hij de roman Messias onder het pseudoniem Julian Winter. Hij schreef ook zelf poëzie en vertaalde poëzie van Charles Simic en van Mark Strand (samen met Jansma). Het duurde lang voordat hij zijn eigen gedichten publiceerde. Toen hij studeerde was hij nog niet overtuigd van zijn eigen kunnen, zei hij in een interview met het blad Literatuur:

‘Ik probeerde het wel, maar dacht: het is toch niet zo goed als wat ik lees. Ik was gegrepen door het lezen, het analyseren, en viel in Utrecht wat dat betreft met mijn neus in de boter. De colleges van Sötemann, die er allereerst drie wijdde aan Nooit meer slapen, waren een openbaring. Dat je zó kon lezen. Ik dacht: dit is een vak.’

Ook noemt hij het ‘een ontzettend geluk’ dat tweedejaars Frits van Oostrom zijn mentor was. ‘Die kletste mij de wetenschap in. Ik wist: dit is het.’