Smoor op Spitsbergen

In de zomer van 1934 ontving de Oostenrijkse Christiane Ritter (1897-2000) een telegram van haar man Hermann, die toen al een jaar als lid van een wetenschappelijke missie op Spitsbergen verbleef. Of ze ook kwam? Nu? Ritter dacht: waarom niet? Geboren en opgegroeid in Midden-Europa zou dat wel een overgang zijn, ook omdat ze haar opgroeiende dochtertje moest achterlaten. Maar wie niet waagt die niet wint.

Wie de poolliteratuur een beetje volgt weet dat schrijvers ingewijde mannen zijn, die professionele expedities leiden of eerder meededen aan de ratrace als eerste de magnetische polen te bereiken. Christiane Ritter past niet in dat rijtje: ze is moeder, huisvrouw en echtgenote van Hermann. Als vroegmoderne toerist durfde ze het echter wel aan de veilige toeristenbubbel te verlaten om de staart van de poolzomer te ervaren en aansluitend de poolnacht in te gaan.

Eenmaal verenigt met haar man voegt de Noorse jager Karl zich bij hen en verblijven ze gedrieën in Gråhuken, een hut van enkele vierkante meters op een langtong in Noord-Spitsbergen. Ritter weet dan nog niet wat de mannen allang weten: om te overleven moet je actief zijn. Het betekent dat ze geregeld weken alleen in de hut is, omdat haar huisgenoten jagen, vallen controleren en daarom elders overnachten. Daar zit je dan, als vrouw alleen, opgesloten in de duisternis en omringt door de bulderende wind. Wanneer ze, tegen het dringende advies van haar man in, toch het beroete en vochtige huisje sopt, merkt ze haar fout pas op als de muren van de schone hut bedekt zijn door een laag ijs.

Ritter belichaamt de lezer, die zo kan smachten naar verhalen van gewone mensen in het allerhoogste Noorden. Wie aldus hunkert, kan beslist niet zonder dit boek. De prachtig schrijvende Ritter wisselt soepel de talloze gradaties van de zowel onheilspellende als mysterieuze natuurkrachten af met het huislijke leven en de avontuurlijke jachtpartijen. Aldus ben je getuige van totaal onverwachte weersveranderingen tot het moeizame aansteken van de kachel; van de beeldschone luchtspiegelingen tot het rituele koffiedrinken; van het idee dat de zichtbare wereld verdwijnt tot het dagelijkse sneeuwruimen. Op vrijwel elke pagina wordt er een nieuw detail onthuld: de vele tinten poollicht, de illusoire perspectieven, het rode land rond de rode zee, de vreemde echo die stemmen van verre meebrengt of het verschil tussen een westerstorm (‘brullend, schuimend, vol en krachtig’), een noorderstorm (‘onafgebroken gebulder’), een zuiderstorm (‘weemoedig en zacht’) en een oosterstorm (‘snel en springerig’).

Voor een thuiszittende getuige is het natuurlijk ook interessant om te vernemen hoe mensen in zulke omstandigheden naar de wc gaan of kans zien om even aan elkaar te zitten, maar over dergelijke huislijkheid schrijft Ritter helaas niet. Daarom zomaar wat observaties, want daar krijg je geen genoeg van:

‘Met één vuistslag wil ik de vermoedelijk dunne sneeuwwand voor de deur indrukken, maar ik sla tegen een massieve muur. De sneeuwwand blijkt een ongeveer 10 meter dikke, zacht naar het strand afhellende sneeuwverstuiving te zijn’ (p. 96)

‘Ik verbeeld me dat er uit het woelige water van de laatste baai iets opduikt, een donkere gedaante de in voorovergebogen houding geruisloos en onherroepelijk op me afkomt.’ (p. 118)

‘Tegen de ochtend gaat de storm even snel liggen als hij is losgebarsten. Karl graaft de deur naar buiten uit. Gråhuken ligt er weer maanachtig helder en nachtelijk stil bij, met daarboven de ver van de wereld zwevende lichten.’ (p. 135)

‘Vandaag, 22 januari, is de hemel voor het eerst gekleurd […] We zien elkaar voor het eerst bij daglicht en zijn ontzet. We zien zo geel als kelderplanten en onze huid is slap en verlept’ (p. 152)

Ritter begint te begrijpen dat kluistering aan de hut dodelijk is. Niet scheurbuik brak eerdere overwinteraars op, maar angst voor de immense leegte en gebrek aan humor. ‘De huidige jagers op Spitsbergen zijn anders. Zij stellen hun vitaliteit tegenover de doodsheid,’ noteert ze.

Maar ze ervaart ook hoe je geest op hol kan slaan. Elke pooloverwinteraar krijgt namelijk een tic, zoals eindeloos poetsen (Ritter), continue zingen (Karl) of extreme gierigheid (Hermann). Ritter gaat ook ‘dingen’ zien: ‘Hoe langer de poolnacht duurt, hoe vaker en feller er een eigenaardig licht voor ons innerlijk oog verschijnt. Er doemen verre en toch bekende beelden op. […] Steeds weer draait de geketende geest in het verleden rond, als een afbeelding zonder ruimte, als in een drama zonder tijd.’ (p. 142). Wanneer Ritter in januari tot haar verbazing en vreugde in de verte een eerste zonnegloedje ziet (het is dan al donker sinds oktober), meldt Karl doodleuk op dat de winter nog moet beginnen.

Hoe zwaar ook, het lukt Ritter om zich aan te passen. Net als Hermann en Karl raakt ze verslaafd aan het mysterie Spitsbergen – Spitsbergen is als een geheimzinnige, wispelturige minnaar, een geliefde die je niet kunt verlaten, waar je niet meer los van komt. Als Ritter in april bekend maakt dat ze wil blijven, barst er een daverend ‘Spitsbergengek, Spitsbergengek!’ los.

Niet dat Ritter blijft, want de voorraden raken op. Tijd om weer naar Midden-Europa te gaan, waar de mensen niets weten van de heftige verliefdheid waarin het gemoed dag en nacht (beide 24/7) verkeert. Het meeslepende Een vrouw in de poolnacht is ook voorzien van de dertig aquarellen die Ritter tijdens haar verblijf maakte en die in het Svalbard Museum te Longyearbyen liggen. Licht, liefdevol en kleurrijk getuigen ze van dezelfde gekte als de inhoud van het verhaal.

Jaap Krol

Christiane Ritter – Een vrouw in de poolnacht. Uit het Duits vertaald door Elly Schippers. Met een voorwoord van Annemie Struyf. Querido Fosfor, Amsterdam. 224 blz. € 24.