Recensie: Marie Bashkirtseff – Waarom zou ik liegen
‘Ik spreek alles uit, alles, alles’
In maart 1981 publiceerde Willem Frederik Hermans in NRC-Handelsblad een lang artikel over het dagboek van Marie Bashkirtseff. Daarmee was hij zeker niet de eerste Nederlandse scribent die aandacht besteedde aan Bashkirtseffs dagboek. Lodewijk van Deyssel was hem al in 1887 voorgegaan, maar ook Theun de Vries en Johan de Meester hadden al over haar dagboek geschreven. Anders dan Van Deyssel kon Hermans beschikken over de volledige versie, die bijna 800 pagina’s telt. Hermans’ opstel is onder de titel Zich onvergetelijk maken, het dagboek van Marie Bashkirtseff opgenomen in de bundel Klaas kwam niet.
In de Privé-domeinreeks is nu een ruime selectie uit het oorspronkelijk in het Frans geschreven dagboek uitgebracht. In haar nawoord schetst vertaler Marianne Kaas een portret van deze jonggestorven vrouw. Ze werd geboren in 1858 geboren op een landgoed in Poltava in wat nu Oekraïne is – en niet in 1860 zoals haar moeder de lezer met enkele ingrepen in de dagboektekst wilde doen geloven. Het huwelijk van haar ouders liep al snel vast, waarna haar moeder met Marie en een menagerie van vermogende familieleden en personeel door mondain Europa trok, verblijvend in hotels en villa’s in Parijs, Nice, Rome en Duitse spa’s. Casino’s oefenden een niet te weerstane aantrekkingskracht op haar moeder en haar steenrijke tante.
Marie moest daar weinig van hebben. Zij las, want ze wilde weten; haar kennis groeide de gouvernantes die het thuisonderwijs verzorgden al snel boven het hoofd. Ze zong, haar mooie zangstem ontwikkelend in de hoop ooit op de planken te staan en een beroemdheid te worden. En ze schreef vanaf haar twaalfde, dertiende aan haar dagboek. De eerste jaren gaat het vaak over haar min of meer puberale, romantisch-sentimentele verliefdheid, met enige zelfrelativering beschreven.
Toen ze zestien, zeventien was werd ze steeds meer door ziektes geplaagd die haar het zingen onmogelijk maakten. Vast van plan naam te maken, stortte ze zich op de beeldende kunsten. Ze ging teken- en schilderlessen volgen in Parijs, bij het enige instituut dat ook vrouwen toeliet, die overigens gescheiden van de mannelijke studenten les kregen. Ze had onmiskenbaar talent en was zich daar ook van bewust, maar zij wilde niet zozeer de kunst dienen, als wel door de kunst gediend worden. Bij leven welteverstaan. In haar schildertechnische ontwikkeling kon ze zich meten met de besten, maar in beschouwelijke zin nadenken over kunst deed ze amper. Bij haar opvattingen en haar keuze van onderwerpen hield ze het bij romantisch middle of the road naturalisme.
Groen van jaloezie moest ze accepteren hoe steeds een andere vrouwelijke student de jaarlijkse medaille voor het beste schilderij toegekend kreeg. Het siert haar dan wel weer dat ze haar afgunst breed uitmeet in haar dagboek.
Naarmate ze zieker werd, namen haar luciditeit en zelfrelativering toe:
Zal ik u eens wat zeggen? Welnu, ik ben noch schilder, noch beeldhouwer, noch musicienne, noch vrouw, noch meisje, noch vriendin. Bij mij wordt alles teruggebracht tot object dat wordt geobserveerd, overdacht en geanalyseerd.
Dat schreef ze in haar sterfjaar, 1884, toen ze nog maar zesentwintig jaar oud was. Ze overleed aan de gevolgen van tbc, pas in een laat stadium gediagnosticeerd en behandeld met kwaal verergerende middelen. Erg wrang als je bedenkt dat tbc al decennialang makkelijk valt vast te stellen en behandeld kan worden met een aan zekerheid grenzende kans op genezing.
De publicatie van haar dagboek in 1887 leidde tot tot veel opwinding: niet eerder had een jonge vrouw zichzelf zo openhartig en eerlijk durven blootgeven. Bashkirtseff schreef om gelezen te worden en dat in aanmerking genomen kun je je afvragen of ze – bewust of onbewust – een beeld van zichzelf heeft willen schetsen dat voldeed aan dezelfde romantisch-naturalistische kenmerken die ze toedacht aan de werkelijkheid die ze schilderde. Waarmee ik niet wil zeggen dat het ‘gemaakt’ is wat zij schreef, want dat is het zeker niet, maar wel dat ze misschien niet altijd het achterste van haar tong heeft laten zien. Bovendien zou het kunnen dat haar moeder al te openhartige, of vrijmoedige passages heeft geschrapt.
In zijn opstel uit 1981 schrijft Hermans over het kolossale grafmonument met glaswand waarachter een ingerichte kamer zichtbaar is, dat Marie’s moeder liet oprichten op het kerkhof van het Parijse Passy. In 1982 heeft restauratie het behoed voor verval, maar we zijn inmiddels alweer vijfenveertig jaar verder. Toch eens kijken.
Hans van der Heijde
Marie Bashkirtseff – Waarom zou ik liegen. Een keuze uit haar dagboeken, 1873 – 1884.Vertaling en nawoord Marianne Kaas. De Arbeiderspers, Amsterdam. 440 blz. € 26,99.

Ik vind het een prachtig boek, maar deze vertaling toch al in 1997?
In de collectie van het Rijksmuseum bevindt zich overigens een onvoltooid portret dat ze van haar schoonzus maakte.