Met een wolkjeskan voetje voor voetje naar huis schuifelen

In de meeste delen van de fraaie wandelboekjesreeks Terloops van uitgeverij Van Oorschot kom je terecht in iets wat veel meer is dan zomaar een wandeling. De route en plekken die worden beschreven zijn onlosmakelijk verbonden met de persoonlijkheid en geschiedenis van degene die de wandeling beschrijft. In De zakdoekjesboom van Hans Hagen wandel je niet alleen over de landgoederen Hilverbeek en Gooilust, maar reis je ook op verschillende manieren door de tijd, namelijk door de geschiedenis van de landgoederen én door de persoonlijke geschiedenis van Hagen zelf. Alles bij elkaar roept vreemd genoeg een gevoel van heimwee op naar een plek waar je zelf nooit geweest bent.

Al op de eerste bladzijde blijkt Hagens liefde voor de plek waar hij is opgegroeid en nog steeds woont: ‘De bossen, de buitenplaatsen van ’s-Graveland, de polders en plassen van Kortenhoef – ze komen regelmatig terug in mijn gedichten en boeken. Ik ben onbeschrijfelijk gelukkig dat ik hier woon en er dagelijks kan wandelen.’ Hij verwijst de lezer die snel aan het wandelen wil, naar bladzijde 26: ‘naar de ingang van landgoed Gooilust’, alsof je tussen de letters daadwerkelijk de ingang van een landgoed kunt vinden. Natuurlijk wil je gewoon bij het begin beginnen, vierhonderd meter noordelijker, waar zijn geboortehuis ligt, zoals de auteur aangeeft. Toch blader je heel even alvast naar bladzijde 26 om te kijken of je daar inderdaad een ingang vindt. En ja, daar beland je op een parkeerplaats om de wandeling te beginnen, maar al in de tweede zin tuimel je een herinnering in, in een strenge winter waar hij met zijn vriendje Alex over ijsschotsen van de ene kant naar de andere kant rende.

Dit is kenmerkend voor de hele wandeling. Voortdurend trap je in kuilen van geschiedenis en lang niet altijd kom je weer op dezelfde plek uit, maar dat geeft het gevoel alsof je weer even kind bent en een onontgonnen terrein betreedt. Je hebt geen idee wat je gaat tegenkomen, maar dat is juist een heerlijk avontuur. Hagen beschrijft de plekken zo levendig en zintuiglijk dat je het gevoel hebt dat je er bent:

Als ik voetje voor voetje met de wolkjeskan naar huis schuifelde, zei Van de Koppel altijd lijzig: ‘Doe de groe-woeten aan oew moe-woeder.’ Dat oew moe-woeder klonk als boe-whoe. Misschien praatte hij zo moeilijk door de pruimtabak in zijn mond. Maar zijn malende kaken leken verdacht veel op die van de koeien die loom in het gras lagen. Kop omhoog en herkauw-kauwen maar.

Probeer die klanken maar hardop uit te spreken en je ziet de oude boer voor je, of je bent er zelf een geworden. Hagen neemt je mee naar de zeventiende eeuw waar de Staten van Holland en West-Friesland rijke kooplui het recht verleenden om het gebied te ontginnen. Bij deze figuren hoorde ook P.C. Hooft, drost van Muiden. Dat ging niet zonder slag of stoot, want de ‘erfgooiers’ – arme keuterboertjes – mochten daar voorheen ‘hun varkens laten eikelen, op hazen jagen en schapen laten grazen.’ De nieuwe landeigenaren vonden dat niet meer goed en dus kwamen deze erfgooiers in opstand en saboteerden de ontginning.

Het is ongelooflijk wat Hagen in deze tachtig bladzijden allemaal tot leven weet te roepen. Je ziet hem als kleine jongen door het gebied struinen, stukjes van Delftsblauwe kopjes opgraven, maar je ziet ook hoe het van alle tijden is dat de mensen met geld en macht zich alles toe-eigenen. Je leest over het huwelijk tussen Frans Ernst Blaauw en Louise Digna Catharina Six, waarbij Blaauw zich via de huwelijksakte het landgoed van zijn vrouw liet toekomen. Vervolgens gebruikte hij het om allerlei exotische dieren en bijzondere bomen en struiken te verzamelen, geheel tegen de wil van zijn vrouw in. Tussen de bijzondere bomen bevond zich ook de Davidia involucrata, de zakdoekjesboom. Alleen al voor de schitterende, bladzijdelange omschrijving van deze boom, zou je dit wandelboekje moeten aanschaffen. In een mum van tijd ben je daar in het landschap en kijk je verwonderd om je heen.

Tijdens de wandeling word je nu weer eens getrakteerd op een mooi gedicht, waarin een sfeer of gebeurtenis in extra laagjes wordt uitgediept, dan weer op bijzondere wetenswaardigheden. Zo kan het kadaver van een paard van vijfhonderd kilo de energie leveren waarmee een lampje van veertig watt ruim drie jaar dag en nacht kan branden. Het is maar dat je het weet.

En reken maar dat je die zakdoekjesboom nodig hebt, richting het einde, als een persoonlijk verlies naar boven drijft. Ook dát ervaar je met al je zintuigen. Als na de bronverwijzing de auteur een poging doet je de deur uit te zetten met ‘de verwarming laag / de lichten uit / de ramen dicht of op een kier’, dan weet je net zo goed als de verteller zelf: ‘ik blijf nog even hier’.

Dietske Geerlings

Hans Hagen – De zakdoekjesboom. Van Oorschot, Amsterdam. 88 blz. € 13,50.