Recensie: Jonathan Griffioen – Abnormale kinderen
Vlierefluiters onder de kinderen
Bij de uitreiking van de Ida Gerhardt Poëzieprijs nam laureaat Daniël Vis twee vrienden en collegadichters mee naar Zutphen, Dean Bowen en Jonathan Griffioen. De laatste verraste het publiek door bij opkomst voor zijn voordracht eerst een flinke hap van een appel te nemen en het publiek even te laten wachten. Er werd wat gegniffeld, maar de dichter legde uit dat door de appel de speekselklieren worden gestimuleerd, wat de stem ten goede komt. Hij zou voorlezen uit zijn bundel Abnormale kinderen. Hij keek Daniël Vis aan en zei dat de bundel misschien ook wel een beetje over hem ging. Ook daar werd om gelachen. Daarna las hij voor, ingetogen, haast een beetje verlegen, en nam het publiek mee in de wereld van abnormale kinderen, die zich ‘met een lieve, zachte / gang, in de richting van / het andere schoolgebouw’ bewegen, ‘waar handenarbeid het leven beheerst.’ Zijn gang door de bundel was schrijnend, licht, humoristisch, maar ook zo eigenzinnig en overrompelend dat je deze Abnormale kinderen niet meer wilde loslaten.
De eigenzinnigheid heeft allereerst te maken met de wonderlijke afwisseling van stijlen, tussen de gedichten, maar vaak ook al binnen een gedicht. Soms krijgt een gedicht in opvallend zakelijke stijl aan het eind ineens een diepzinnige wending:
Sinds 1901 worden documenten m.b.t.
abnormale kinderen naar regionale
archieven gebracht.De categorie abnormale kinderen
duikt op in de stukken.De abnormale kinderen lijken
op normale kinderen;van het ongewone zijn zij wars.
Het slot van het gedicht raakt een absolute kern. Kinderen die zijn ondergebracht in speciaal onderwijs hebben vaak een sterke behoefte aan structuur en niet aan verandering. Daardoor werpt de laatste regel een bijzonder licht op het verschijnsel ‘ongewoon’ en brengt deze de ‘norm’ aan het wankelen.
De ogenschijnlijk zakelijke toon kan in een ander gedicht juist omslaan in complexe beeldspraak en verwijzingen:
In Bloems gedicht gaat het om het niet te achterhalen geluk. De ik heeft niets van het leven verwacht. In een ander bekend gedicht zegt Bloem dat alles veel is voor wie niet veel verwacht. Onze samenleving verwacht heel erg veel van kinderen. Moeten scholen er niet altijd alles aan doen om het ‘maximale’ uit hen te halen? Doen zij dat niet, dan worden ze door de inspectie op de vingers getikt. Het beeld van de onsterfelijke nachtegalen die over de hoofden van abnormale kinderen vliegen, is fragiel en wonderschoon, niet alleen vanwege het beeld van onsterfelijke vogels die bekend staan om hun prachtige zang, maar ook omdat zij door de verwijzing naar Bloems gedicht over geluk gaan. Geluk trekt zich niets aan van normaal of abnormaal. Hugin en Munin zijn de raven uit de Noorse mythologie, die staan voor het geheugen en de gedachten. Misschien kunnen abnormale kinderen iets minder onthouden dan normale kinderen, maar het geluk vliegt vooralsnog voorop. Hugin en Munin hebben het nakijken.
De bundel is ook om een andere reden eigenzinnig, namelijk door het voortdurende gebruik van de term ‘abnormale kinderen’. Als je de bundel voor het eerst ziet liggen, is de titel bijna zo stuitend dat je hem misschien liever laat liggen. Doordat Griffioen deze term gedurende de bundel zo veelvuldig gebruikt, dat je in een andere context bijna van een ‘storende herhaling’ zou kunnen spreken, zorgt ervoor dat je eraan went, dat je het normaal gaat vinden dat deze kinderen, die om wat voor reden dan ook niet helemaal in de pas lopen met het gemiddelde, ‘abnormale kinderen’ worden genoemd. Daardoor word je als lezer medeplichtig. Je voelt dat je onderdeel bent van de samenleving die deze kinderen stigmatiseert en dat brengt je in beweging. Je wilt eruit los. Dat is knap gedaan.
Abnormale kinderen ontwricht door de vervreemding die het oproept. De wereld die je in de bundel krijgt voorgeschoteld, herken je nog wel, maar er vinden allemaal verschuivingen plaats die je aan het denken zetten. Er zijn stukken uit de eerste schoolwetten in de bundel opgenomen, maar tussen allerlei gebruiken van vroeger, waar je gewoon van gaat griezelen, staan ook die van tegenwoordig, die net zo stuitend zijn als je erover gaat nadenken: kinderen worden onder begeleiding van ‘deskundigen (artsen, / psychiaters, psychologen, orthopedagogen, in een concurrentiestrijd / verwikkeld met de traditionele kennis / waarover onderwijzers beschikken)’ in aparte scholen gezet, die de inspectie met allerlei protocollen in de gaten houdt. Terecht stelt Griffioen de vraag: ‘Want welke groep heeft men eigenlijk op / het oog als gesproken wordt van / abnormale kinderen?’ Het suggereert dat daar bepaalde, objectieve maatstaven voor zijn, maar misschien is het goed die eens kritisch onder de loep te nemen.
De humor maakt de bundel licht, maar brengt juist daardoor ook de tragiek naar boven. Zo zegt in een van de gedichten een kind dat hij liever naar de vlierstruiken gaat om op de takjes te fluiten en in een ander gedicht zitten de ‘vlierefluiters in struikjes verscholen’.
Abnormale kinderen is een bundel die je door elkaar schudt, ontwricht, ontroert en uiteindelijk aan het denken zet over ons onderwijssysteem, maar ook over onze samenleving waar mensen elkaar in hokjes denken en vergeten dat we allemaal uniek zijn.
Dietske Geerlings
Jonathan Griffioen – Abnormale kinderen. Uitgeverij Lebowski, Amsterdam. 72 blz. € 22,99.


