Recensie: Ton Naaijkens – Mondruimtes en matroejska’s
Guten Appetit!
Mondruimtes en matroejska’s is een mooi uitgegeven bloemlezing van actuele Duitstalige poëzie, vertaald door Ton Naaijkens. De selectie van de gedichten was heel persoonlijk: alleen werk van dichters die hem inspireerden en al eerder vertaalde nam hij op. De meesten kende of kent hij persoonlijk.
Om hen echt te leren kennen was een representatieve selectie uit meerdere bundels van de dichters ongeschikt. Daarom heeft Naaijkens per dichter gekozen voor een specifieke bundel en daaruit een reeks, cyclus, lang gedicht of samenhangende groep gedichten opgenomen. Het gaat om vierendertig dichters, van wie achttien vrouwen en zestien mannen.
De bundel kent acht afdelingen. In zijn nawoord noemt Naaijkens het gerechten, in navolging van Oskar Pastior (1927-2006) in zijn eerste gedicht, dat we kunnen beschouwen als het voorgerecht. De titel is ‘Vlezeslust’. De laatste regels hiervan: ‘Alles wel- / beschouwd teren voor-, hoofd- en nagerecht op een nominaal- / agluttinerende woordenschat en kunnen ze worden gerang- / schikt onder orale stijl. Ze dienen ter vermaak van alle kennis.’ Begrijpt u? Het nagerecht is van Gregor Laschen (1941-2018). Zijn ‘Jammerbugt-notities’ zijn daar uitstekend voor geschikt. Een van die notities is ook het motto van de bloemlezing: ‘De beelden, de nooduitgangen / van de taal.’ Dit is niet zomaar een constatering, want hij raakt de kern van het bestaan. Zes notities daarna lezen we: ‘De beelden, de nooduitgangen / van mijn leven.’
De gerechten hebben aantrekkelijke namen, zoals ‘Mondruimtes en aprillen’, ‘Karaoke & waaierstaart’ en voor wie durft ‘Demonen & pek’ of ‘Hellevaart & mush’.
Het is niet steeds duidelijk waarom gedichten in een bepaalde afdeling zijn ondergebracht, maar dat biedt mogelijkheden tot reflecties die de afzonderlijke gedichten ontstijgen. De vertaalde gedichten op hun beurt krijgen ook alle aandacht, omdat de Duitse originelen daar niet naast staan. Die vormen een afzonderlijke afdeling, niet thematisch ditmaal, maar alfabetisch op achternaam van de dichters. Naaijkens lijkt daarmee nadrukkelijk te zeggen dat het echt om de vertalingen gaat, maar doordat er bij iedere vertaling wordt verwezen naar de originele gedichten zijn die toch makkelijk te vinden.
Lezers die dat willen kunnen de oorspronkelijke gedichten vergelijken met de vertalingen; degenen die vinden dat vertalingen herscheppingen zijn die nooit geheel kunnen samenvallen met hun bron, kunnen dat achterwege laten. En de enkeling die zich wil beperken tot de originelen komt door deze opbouw van het boek ook aan zijn trekken.
Oorlog, migratie, de klimaatcrisis en ander onheil spelen net als in de Nederlandstalige poëzie een belangrijke rol. Maar ook de werking van taal of de ontregeling daarvan door het ‘overtreden’ van grammaticaregels vormen een thema, zoals in de humoristische, ritmische serie ‘Grammargirls’ van Uljana Wolf (*1979). Grammargirls ‘schrijven woorden tot tekens om te toveren’ en ‘schroeven sans aarzelen aan zomige wissels’. Het spreekt voor zich dat grammargirls niets moeten hebben van de clichétaal van ‘nivelleerders’. Met die ‘taalknellers’ maken zij ‘banrechtelijk korte metten.’
Naast vertaler en essayist is Ton Naaijkens emeritus hoogleraar Duitse literatuur en Vertaalwetenschap. Veel Duitse dichters zijn ook vertalers. Het verbaast daarom niet dat hij daaraan een afdeling heeft gewijd: Karaoke & waaierstaart. We zien dichters die op het vertalen reflecteren, zoals Yoko Tawada (*1960), die impliciet stelt dat je de cultuur van het land van oorsprong ook moet vertalen. De laatste strofe van haar gedicht ‘Oude notities over linguïstische erotiek’ luidt als volgt:
‘Ik hou van jou’ is in het Japans ‘watashi wa anata ga suki desu’.
Als je die zin weer woordelijk in het Duits terugvertaalt, wordt het: wat
mij betreft ben je begeerlijk
Bij Hans Thill (*1954) worden vertalingen onderdeel van een serie gedichten. Hij citeert een Nederlandstalig gedicht van Heinsius (Daniël Heyns, 1580-1655) en gebruikt elke afzonderlijke regel als titel van een eigen Duitstalig gedicht, gevolgd door de Nederlandse vertaling. (Is die van Ton Naaijkens? Ik denk het niet, want deze serie ontbreekt als enige in de afdeling originele gedichten. Dit moet dus het origineel zelf zijn.) Bij Friederike Mayröcker moet je vertalen anders opvatten. Zij ‘omhelst’ wat zij ziet, hoort en leest, bijvoorbeeld ‘het lijstje van de WERKSTER omhelzen, onder tranen als ’t ware …’. Vervolgens vertaalt ze dat in eigen woorden.
Er staan ook niet of nauwelijks te doorgronden gedichten in de bundel. Dat is bijvoorbeeld het geval met het lange gedicht ‘Mush’ van Sonja vom Brocke (*1980). In een citaat dat voorafgaat aan de serie vind je daar wellicht de reden voor. Het is van Sheila Heti. Zij heeft vernomen dat een rups in een cocon geen vleugels krijgt en zo in een vlinder verandert, maar desintegreert tot een moes waaruit vervolgens een nieuw insect, een vlinder voortkomt. Zij verwondert zich erover waarom nooit iemand over die moes praat. Heeft dat Brocke geïnspireerd? Verbeeldt haar serie gedichten zo’n moes? Ratio voldoet niet om er vat op te krijgen, je moet het hebben van associaties. (Wat op zichzelf boeiend is.) Het lijkt over de aantasting van het milieu te gaan, gezien de vele verwijzingen naar dieren, planten en een regel als ‘Wat ben ik de aarde schuldig nu ik haar opeet?’ De serie nodigt uit tot meermaals lezen.
Ik heb één kanttekening. In zijn nawoord stelt Naaijkens dat de Duitstalige poëzie bonter, misschien ook wilder en in ieder geval eigenzinniger is dan de Nederlandstalige. Ik waag dat te betwijfelen. Zie bijvoorbeeld het volgende rijtje dat je nog makkelijk kunt aanvullen: Sandrine Verstraete met kamers, Maarten van der Graaff: Dood werk, F. van Dixhoorn: Verre uittrap, Christina Flick: Ocean Diva, Han van der Vegt: Bouwdoos, Obe Alkema: Obelisque, Asha Karami: Godface en Jolanda Kooijmans: Addertje. (De bundels die ik noem lijken willekeurig gekozen, maar dat is niet zo. Ik ken ze goed omdat ik ze heb besproken.)
Deze kanttekening doet niets af aan de kwaliteit van Mondruimtes en Matroesjka’s. Voor wie benieuwd is naar hedendaagse Duitstalige poëzie en zich niet laat weerhouden door gedichten die zich niet direct prijsgeven, zal dit een zeer aantrekkelijke bloemlezing zijn.
Hans Puper
Ton Naaijkens – Mondruimtes & matroesjka’s. Actuele Duitstalige poëzie. M10Boeken, Doetinchem. 480 blz. € 39,50.
