Column: Ontmoetingen – Op het dakterras van Marita Keilson-Lauritz
Op het dakterras van Marita Keilson-Lauritz *
‘De trein voor ons heeft iets geraakt,’ roept de conducteur om bij station Weesp. Voorlopig kunnen we niet verder totdat duidelijk is wat dat ‘iets’ is. Of wie? Een onbevoegd persoon? Niet ondenkbaar op dit traject. Vaak genoeg ging mijn vader met de ambulance naar het spoor tussen Hilversum en Naarden-Bussum. Er was een tijd dat losgerukte ledematen en onthoofde rompen in de ambulance meegingen. Hij vertelde er weleens over onder het avondeten, sporadisch.
Denk ik aan al die mensen die op dit forensenspoor voor een eigen einde kozen, omdat ik de weduwe van een psychiater ga opzoeken?
Niet zomaar een psychiater, sterker: niet zomaar een weduwe. Psychiater Hans Keilson (1909-2011) was honderd jaar toen hij internationale erkenning kreeg voor zijn literaire werk. Een lovende recensie in The New York Times was het startschot, een charmant optreden in De Wereld Draait Door deed de rest. Met aan zijn zijde Marita Keilson-Lauritz, literatuurwetenschapper, ook met een internationale staat van dienst als het gaat over literatuur en homoseksualiteit. Ze werd in 2018 geëerd met een vriendenboek: Unter Männern. Freundschaftsgabe für Marita Keilson–Lauritz, dat verscheen naar aanleiding van haar tachtigste verjaardag.
Het ‘iets’ is geen mens, we rijden weer. Als ik twintig minuten te laat bij Marita aanbel zit zij midden in een mail aan het Magnus-Hirschfeld-Gesellschaft. Haar hoofd is er vol van en daarom heet ze me eerst in het Duits welkom voordat ze overschakelt naar het Nederlands. Gedoe in Duitsland. De wereld wordt minder vrijgevochten. Met koffie en paaseitjes gaan we de trap op naar het dakterras. Ik ben verrast door haar fitheid en kracht: soepel klapt ze een tuinstoel open, schuift ze een tafeltje aan – ik ben gast, ik mag toekijken.
Marita is dit voorjaar 91 geworden. Geboren in Tallinn, de hoofdstad van Estland. Dan raad je al dat historische tragedies ook door haar leven zijn geweven. Het gezin Lauritz, Duitstalig en protestant, belandde in 1939 in het net door Duitsland bezette Polen – ze noemt de Poolse steden waar ze hebben gewoond. Daarna ging de reis verder, dieper Duitsland in. Haar vader onder de wapenen, eerst aan het oostfront, later in het westen. ‘Waardoor hij de oorlog heeft overleefd.’
Na de oorlog vestigden ze zich in Neurenberg. ‘Een stad die net zo verwoest was als Dresden.’ Opgroeiend in dit Lutherse gezin dacht Marita aan een theologiestudie, of eigenlijk dacht ze aan wiskunde, maar dat werd haar afgeraden. Een meisje en wiskunde, dat ging toch niet samen. De St. Lorenz, in het centrum van Neurenberg, waar ze als familie kerkgingen, werd weer opgebouwd.
‘Die kerk speelt een belangrijke rol in mijn ontwikkeling. Dan zaten we in de banken te luisteren naar de dominee en dan hoorde je het piepen van de tram die voor de kerk een scherpe bocht maakte. Dat piepende geluid, telkens weer, deed een onrust en nieuwsgierigheid in mij oplaaien. Er is een wereld buiten de beslotenheid van deze kerk en deze gemeenschap. Laat ik daar eens beter naar kijken.’
Een nieuwsgierigheid die na haar scheiding van haar eerste man resulteerde in nieuwe studies: geschiedenis, Duits en theaterwetenschappen.
‘Mijn docent was de germanist Hans Schwerte, hij bracht me op het spoor van Alfred Schuler, schrijver, dichter, homoseksueel en antisemiet. Of ik niet kon promoveren op Schuler? Natuurlijk, ik was meteen gefascineerd. Maar een vrouw die promoveert op zo’n onderwerp? Ik kreeg een bericht van de dichter Wolfgang Frommel, die heel kritisch was, waarop ik hem meteen antwoordde. Er volgde een ontmoeting en zelfs een relatie en ik ging met hem mee naar Amsterdam waar ik mijn intrek deed bij Castrum Peregrini, een leefgemeenschap van kunstenaars. Zo ging ik me opeens veel meer bezighouden met homoseksualiteit. Mijn dochter heeft later weleens gezegd: “Mama studeert voor homoseksueel.”’
Zo luisterend naar haar verhaal, de namen van al die onbekende mannen, want er volgen meer namen, kijk ik ook even over mijn schouder naar binnen, naar de werkkamer van Hans Keilson. In het midden zijn bureau, omringd door boekenkasten. Hier werkte hij, met uitzicht op het balkon, de prachtige berk in de achtertuin. Een koolmees vliegt van berk naar dakgoot. Ik heb me vergist.
‘Dit was niet zijn werkkamer,’ zegt Marita. ‘Dit was onze slaapkamer. Na zijn dood heb ik er zijn werkkamer van gemaakt.’
‘Hans Keilson ontmoette ik bij Castrum Peregrini. In 1970 zijn we getrouwd. Hij was toen zestig. We hadden niet gedacht dat het een huwelijk van meer dan veertig jaar zou worden.’ We staan op, gaan de werkkamer in. Ik moet nog wennen aan het idee dat hij hier met dit uitzicht, zo passend bij een schrijver, nooit heeft gezeten. Op het bureau ligt een archiefstuk opengeslagen. Er komen nog geregeld onderzoekers langs, ook na de biografie, verschenen in 2023, is de aandacht niet stilgevallen.
‘Zat de biograaf wél aan deze tafel?’ vraag ik.
‘Nee nee, Jos (Versteegen) zat het liefst beneden aan een eigen bureautje in de woonkamer. Hij vond het te overweldigend om hier te zitten omringd door al die boeken en archiefstukken.’
Ze wacht even. ‘Door het werk aan de biografie hoefde ik geen definitief afscheid van Hans te nemen. Bij ons vijftigjarig huwelijk waren er rozen, dat paste. Zo dichtbij is hij gebleven. Eigenlijk nog steeds, ook nu de grootste drukte rondom de biografie wat is weggeëbd.’
We gaan de kasten langs en Marita vertelt minutieus wat er schuilgaat achter al deze ruggen. Scherp, gericht op het kleinste detail, alles moet kloppen en te vinden zijn. Hier, op een rij, alle romans en sonnetten van Keilson, in alle vertalingen. Het verzameld werk van Freud. Ik zie Wilhelm Reich. In de kast archiefstukken, correspondenties, manuscripten, patiëntverslagen. Allemaal bestemd om voor altijd bewaard te blijven. Marita laat me haar eigen werkkamer zien, een kleiner bureau bij het raam, omringd door homoliteratuur. Kavafis, Lodeizen, Melissen, Thomas Mann, zie ik in de vluchtigheid. Heel veel Duitse schrijvers. Een klein paradijsje voor wie in ‘schwule Literatur’ geïnteresseerd is.
‘Vroeger was dit de wachtkamer voor de patiënten.’
‘Dus boven werd praktijk gehouden?’
En ik denk aan de trap die ik opging, achter Marita aan. Hoeveel bedrukte zielen, volwassenen en kinderen, zijn deze trap op en af gegaan, met hoofden vol zorgen en verdriet? Ik stap in hun voetsporen.
‘Later is de wachtkamer naar beneden verhuisd, achter de deur waar “wachtkamer” op geschilderd is. Daar staat mijn piano. Elke twee weken heb ik les van de man van Gerard van Emmerik.’
Ik glimlach, bewonder haar energie. Nee, de stoelen hoef ik niet in te klappen, de lege kopjes hoeven niet opgeruimd te worden. Marita doet alles zelf. Als we weer beneden zijn zegt ze: ‘Toen Hans was gestorven nodigde Gert Hekma me uit om lid te worden van het Genootschap voor Tegennatuurlijke Letteren. Bij wijze van troost. Dat is hem gelukt. Het genootschap heeft me veel gegeven. Reizen doe ik mondjesmaat. Maar ik ontvang de leden graag bij mij thuis. Altijd met koffie en taart en ter afsluiting soep en broodjes.’
Eric de Rooij
*Deze ontmoeting is een voorpublicatie uit de bundel Vrijplaats. Vijfenveertig jaar Genootschap voor Tegennatuurlijke Letteren (onder redactie van Th. van Os, Eric de Rooij en Jos Versteegen), uitgegeven door uitgeverij Palmslag en die op 25 juli tijdens Pride wordt gepresenteerd in H’ART Museum, Amsterdam.
