Aan het einde van de oorlog en kitsch

Anticiperend op de aanstaande winst van de Libris Literatuur Prijs kocht ik in de Boekenweek Aan het einde van de oorlog van Bert Natter. Ik begon dezelfde dag, 23 maart, met lezen. De weken daarop wisselde ik van baan en scheerde ik mijn hoofdhaar af. Die afkapdrang kwam (de psychologiserende lijn van Lize Spit volgend) waarschijnlijk voort uit het feit dat ik hetgeen wat ik eigenlijk wilde beëindigen niet kon beëindigen. Boeken moet ik namelijk van de eerste tot de laatste pagina lezen, ook als ze me niet bevallen. Zodoende had ik deze week pas Aan het einde van de oorlog uit, na een kleine anderhalve maand doorploegen.

Dit wordt geen column waarin ik ga uitleggen waarom de meeste critici en lezers deze roman overwaarderen, of waarom hij niet de Libris Literatuur Prijs zou mogen winnen. Voor je het weet zet Bert Natter zijn tanden in je onderbeen, en wie zijn roman gelezen heeft weet dat er dan nog maar één manier is om dat soort gevallen los te krijgen. Bovendien heb ik slechts één andere roman van de shortlist gelezen en ik vind niet dat die veel meer aanspraak maakt op de prijs. Ik deel de mening van Natters fans dat hij een zeer ambitieus boek heeft geschreven en dat het een gedurfde en bewonderenswaardig zinnelijke roman is geworden over de laatste vierentwintig uur van een concentratiekamp. Voor de context van Aan het einde van de oorlog alle lof. Maar de inhoud?

De keuze om de lezer al heel vroeg te laten weten wat er is gebeurd met het jongetje Ernst en de belangrijkste personages dat vervolgens een ruime 400 pagina’s uit te laten zoeken vind ik een mispeer. Wat is er leuk aan om dat te lezen? Die dramatische ironie is niet spannend en de personages worden er allemaal op slag zielige wezens van. Natter schrijft al erg karikaturaal over de mensen in zijn boek (in de categorie ‘oppernazi blijkt cultuursnob’) en vervolgens plaatst hij de lezer ook nog eens boven hen door het verschil in kennis. De absurd aandoende mogelijkheid om je te verplaatsen in deze duistere, duistere mensen wordt al vroeg de nek omgedraaid. Wat rest is letterlijk en figuurlijk aapjes kijken. Die hele zoektocht van Karl, Christine en Johanna interesseert me niet, hoe vaak ze ook met een kluitje in het riet worden gestuurd, omdat ik de waarheid al ken. Zo bezien lijkt de lezer mag nooit meer weten dan de (hoofd)personages me een aardig beginsel voor spannende literatuur. Wie een tegenvoorbeeld kent mag zich melden – en dan niet Aan het einde van de oorlog noemen.

Dan kom ik bij het punt aan dat Fabian Stolk, die de afdrukken van Natter nog in zijn been heeft staan en definitief niet meer kan fietsen, al min of meer maakte: de roman overschrijdt de grens naar kitsch herhaaldelijk (‘lowbrowgarnituur’ noemt Stolk het). Waar Natter zich verweerde door aan te geven dat dit intentioneel is, kan ik mij toch niet aan de indruk onttrekken dat die overschrijding ook plaatsvindt op onbedoelde momenten: mijn persoonlijke ervaring van de gehele roman is namelijk dat het een kitscherig boek is en waarom Natter dat zou beogen weet ik niet. Ik heb momenten als kitsch gezien die de auteur zelf anders ziet. Van een passage over een goederentrein die eindigt met de suggestieve opmerking dat die nu een heel andere lading heeft dan vroeger kan ik behoorlijk geïrriteerd raken, maar de intentie van de auteur lijkt me dat niet. Nog erger: de Joodse leidinggevende van het Sonderkommando die ‘ziel en zaligheid in de sierlijke cijfers [heeft] gelegd’ boven de kapstokken in de kleedkamer voorafgaand aan de gaskamer.

Milan Kundera schrijft over kitsch:

Kitsch wekt vlak achter elkaar twee tranen van ontroering. De eerste traan zegt: Wat mooi, kinderen die over een grasveld rennen! […] De tweede traan zegt: Wat mooi om samen met het hele mensdom ontroerd te zijn door kinderen die over een grasveld rennen!

Het eerste voorbeeld is emotie in het moment, het tweede is emotie om het moment. Het voelt voor mij alsof dat Aan het einde van de oorlog voornamelijk op dat laatste sentiment speelt. De personages; de gruwelijkheden – we herkennen ze uit eerdere verslagen en verbeeldingen van de oorlog en die herkenning raakt ons. Niet alleen Joden en politieke gevangenen, maar ook subtiliteiten lijken in Natters kamp te worden vergast, begraven en in de fik gestoken, waardoor zelfs de oppervlakkige lezer niet zal ontgaan dat ook in zo’n lelijk kamp de zoektocht naar het schone, net als naar het jongetje Ernst, doorgaat tot de dood.

De ronkende recensie van Anky Mulders in Literair Nederland eindigt met de conclusie dat Natters roman ‘voor wie het nog niet begrepen had een goede manier is om de ijzingwekkende waanzin van oorlog tot zich te laten doordringen’. Helemaal mee eens, alleen hadden alle lezers, Anky Mulders incluis, dat natuurlijk allang begrepen.

Martijn van Bruggen