In een hotelkamer met lelijk behang

Bij de honderdste sterfdag van Ronald Firbank

Honderd jaar geleden, op 21 mei 1926, stierf in Rome de Engelse schrijver Ronald Firbank. Tussen 1915 en 1926 publiceerde hij acht romans, waar geen enkele uitgever brood in zag en die hij daarom zelf bekostigde. Ook na zijn dood werd zijn werk, dat door vorm en inhoud tot het modernisme gerekend kan worden, maar mondjesmaat gelezen. Toch heeft hij grote invloed gehad op bijvoorbeeld een  schrijver als Evelyn Waugh. En in Nederland zie je zijn manier van schrijven duidelijk terug in de eerste roman van Bas Heijne, Laatste woorden. Ik ontdekte hem door een citaat dat Andreas Burnier gebruikte voor haar verhaal ‘Onderzoekingen op het terras’: I adore the end of summer, when a new haystack appears on every hill. Ik kan niet meer uitleggen waarom deze zin me zo intrigeerde, maar vervolgens heb ik alles van Firbank gelezen. Gerrit Komrij werd ook enorm geboeid door Firbank en vertaalde twee van zijn romans, Kardinaal Pirelli en Valmouth. In een Nederlandse recensie werd over deze boeken geoordeeld dat ze maar voor ‘een kleine lezerskring’ geschikt waren. Wij vormen dus als liefhebbers van Ronald Firbank maar een select gezelschap. Daartoe behoort dan wel de Engelse schrijver Alan Hollinghurst, die Firbank opvoerde in zijn boek The Swimming-Pool Library (1988). Een van de mooiste scènes uit dat boek gaat over het vertonen van een teruggevonden filmpje, waarop Firbank in Italië bijna dansend over straat loopt, begeleid door kinderen die hem nadoen. Hollinghurst benut trouwens nog steeds elke gelegenheid om het werk van Firbank onder de aandacht te brengen.

Ronald Firbank (1886-1926), die kon leven van een erfenis, heeft enorm veel gereisd en bijna al zijn boeken zijn geschreven in hotelkamers. Hij is in Cuba geweest, in Egypte, Zwitserland, Frankrijk, allemaal locaties die in zijn werk terugkomen. Hij wordt op zijn Wikipedia-pagina omschreven als een ‘innovatieve’ auteur en dat is wel een goede typering. Niemand schrijft zoals Firbank. Aan beschrijvingen doet hij in zijn boeken eigenlijk nooit, elk verhaal wordt voortgestuwd door dialogen en losse flarden met impressies. ‘Hij rijgt parels aan een snoer,’ zo formuleert Gerrit Komrij het, ‘losse parel na losse parel. Hij weet een ruimte te creëren, een volière vol exotisch gesnater, en dan – langzaam – tekent het patroon zich af, grijpen de dingen in elkaar, worden de elementen uit onverwachte hoeken aangevuld of over elkaar gelegd.’ Komrij noemt dit effect ‘een vederlicht spel van lagen en nuances; een collage van uiterlijkheden over een kern waarvan we de aanwezigheid vermoeden maar die we nooit te zien krijgen – hoogstens flitst er af en toe een glimp op die ons – een heldere vrieskou waait door de kamers van ons hoofd en de gordijnen wervelen hoog op – een indruk kan geven van het hele parelsnoer.’ Firbank was een meester in het schrijven van dialogen, vooral in wat Komrij ‘de techniek van het simultaneïsme’ noemt: gesprekken tijdens feestjes waar veel mensen aanwezig zijn. Juist in deze gesprekken brengt Firbank zijn figuren tot leven, dan weer grappig, dan weer cynisch. Veel mensen in zijn boeken lijken over niet ter zake doende dingen te praten, maar wie doorleest zal merken dat dat schijn is. Door de vele dialogen is zijn werk luchtig en geestig, maar het vraagt tegelijkertijd een grote concentratie van de lezer. Firbank is vaak als schrijver genegeerd omdat hij te oppervlakkig zou zijn, maar zoals Gerrit Komrij ook schrijft, zijn werk is ‘geen opgeklopt schuim, maar het economisch resultaat van jarenlang luisteren, noteren, uitwerken en ineenschuiven.’ Het verhaal gaat dat Firbank veel notities maakte op losse kaartjes van gesprekken die hij opving en die hij vervolgens als inspiratie gebruikte bij het schrijven van zijn boeken. Het moet wel één van die schrijverslegenden zijn, want niet één kaartje is ooit teruggevonden. Een ander opvallend aspect van zijn dialogen is dat heel veel opmerkingen die mensen maken iets seksueels lijken te suggereren, maar dan zo bedekt dat het ook compleet onschuldig kan zijn. Deze codering was natuurlijk in Firbanks tijd ook bitter nodig.

Ronald Firbank was een opvallende figuur, verlegen en zenuwachtig in gezelschap. Iedereen wist dat hij homoseksueel was omdat hij er openlijk voor uitkwam. Er zijn talloze anekdotes over hem bewaard gebleven, vooral over zijn geestige uitspraken en zijn nerveuze gedrag. Hij dronk veel en at gaandeweg steeds minder. Firbank was een harde werker en volstrekt serieus wat zijn literaire werk betreft. Hij leed onder het feit dat zijn boeken zo weinig succes hadden. Na elke publicatie hoopte hij op goede recensies, zelfs op een bestseller. Maar de Engelsen vonden zijn werk onbegrijpelijk, een enkeling uitgezonderd, zoals leden van de Sitwell-familie. Virginia Woolf las hem ook met plezier. In Amerika vond hij meer waardering, met name omdat de schrijver Carl van Vechten wél enthousiast over zijn werk was en positieve recensies schreef. Zijn roman Sorrow in Sunlight (1924) raakte daar zelfs uitverkocht.

In het voorjaar van 1926 reisde Firbank van Egypte (waar hij de winter had doorgebracht) naar Rome. Hier nam hij een kamer in Hotel Quirinale aan de Via Nationale. Met zijn gezondheid ging het slecht, een mix van longklachten en te veel drinken. Tegenwoordig zou zijn manier van leven een destructieve levensstijl genoemd worden. Hij had net een roman voltooid (Concerning the Excentricities of Cardinal Pirelli) en werkte aan een nieuw boek, dat in New York gesitueerd was (The New Rythum). De componist en schrijver Lord Berners, een bekende uit Londen, die ook in Rome verbleef, hoorde van de aanwezigheid van Firbank en belde hem op. Lord Berners wilde op bezoek komen, maar Firbank hield dit tegen, volgens hem was het behang in zijn hotelkamer veel te lelijk voor een visite. Op de avond van de 21ste mei belde Berners nog met de dokter van Firbank, die hem echter geruststelde, zo slecht ging het nog niet met Firbank. Toen Berners de volgende ochtend opnieuw belde was het te laat, Firbank was die avond, alleen in zijn hotelkamer, overleden. Vervolgens handelde Berners alles af: hij regelde de begrafenis en stuurde de bezittingen van Firbank naar zijn familie in Londen. Firbank werd begraven op het protestante kerkhof van Rome, in de buurt van John Keats. Toen zijn familie in Engeland hiervan hoorde kwamen ze in actie. Firbank was immers katholiek en lag daar dus verkeerd tussen die protestanten. Enkele maanden later vond een  herbegrafenis plaats, waarbij overigens niemand van zijn familie aanwezig was. Ze zorgden wel voor een grafsteen. Dat graf is nog altijd te vinden op Campo Verano (een immense begraafplaats), op een perceel dat bestemd was voor niet-Italianen. Er liggen meer rooms-katholieke Engelsen begraven, zoals Una Troubridge, de vriendin van Radclyffe Hall.

Toen ik in 1984 het graf van Firbank bezocht was de tekst op de grafzerk nog altijd goed te lezen:

R.I.P.
Pray For The Soul of
Arthur Annesley Ronald
Firbank
Who Entered Into Rest
on 21st May 1926
Far Away From His Country

De foto’s die toen gemaakt zijn, hebben de tijd jammer genoeg minder goed doorstaan dan zijn graf. Ik ben later nog eens terug geweest, net als elke bewonderaar van Firbank, om de grafsteen schoon te maken en  bloemen neer te leggen.

Doeke Sijens