‘De enige stelregel die ik heb is: het moet zo nauwkeurig mogelijk zijn, er mogen geen fictionele elementen gebruikt worden,’ zo citeert Arnon Grunberg G.L. Durlacher in het voorwoord van Durlachers Strepen aan de hemel en andere oorlogsherinneringen, de editie uit 2021. Durlacher voegt daar nog iets aan toe: ‘Als er nu te literair over de oorlog geschreven wordt, zullen mensen straks een onzuiver beeld van de oorlog hebben. Een onwaar beeld.’ Ook citeert Grunberg in ditzelfde voorwoord Elie Wiesel, Auschwitz-overlevende en Nobelprijswinnaar: ‘Auschwitz betekent de dood, de totale absolute dood, de dood van de mens, de dood van alle mensen, de dood van de taal en van de fantasie, de dood van de tijd en van de geest.’ Wiesel ziet kampliteratuur als een ‘sui generis’, een eigen soort. ‘Het verleden behoort toe aan de doden’, zegt hij. Hoe kan de lezer zich dan nog verhouden tot oorlogsliteratuur, het literaire boek, fictioneel, dat over de gruwelen van de oorlog gaat, zoals het onlangs verschenen en bekroonde Aan het einde van de oorlog van Bert Natter?

La nuit van Elie Wiesel las ik op de middelbare school, voor mijn boekenlijst Frans. Ook las ik Strepen aan de hemel voor mijn lijst Nederlands en Die weiße Rose van Inge Scholl, de zus van twee jonge, vermoorde, Duitse verzetshelden, voor Duits. Veel later las ik Is dit een mens van Primo Levi, De menselijke soort van Robert Antelme en Het koude crematorium van József Debreczeni, alle drie overlevenden van de holocaust, of de Shoah. Er zijn weinig boeken die mij zo gevormd hebben als deze, juist omdat ze de grens van ons mens-zijn verkennen vanuit hun kampervaringen. Hoe kan ik het lezen van deze boeken beschrijven? Het is of je een blik in de hel werpt, een glimp opvangt van waartoe mensen in staat zijn. Ik herinner me het lezen ervan ook als fysieke ervaring en die kan ik ieder moment weer oproepen: de steen in mijn maag, het inwendige huilen, dagen, weken-, misschien wel maandenlang daarna nog vanwege het besef dat ik net, als deze mensen, mens ben.

Dat zelfs Durlacher zelf hier vanaf wilde blijven, spreekt boekdelen: ‘Het verstikkende, aardedonkere binnenste van een veewagen waarin tachtig mensen dagenlang op elkaar geperst en vrijwel zonder voedsel, water en toiletemmers, naar de eindbestemmingen Auschwitz, Sobibor en andere kampen werden getransporteerd, is slechts door een enkele overlevende beschreven. Ik kan dat niet en zal het ook nooit kunnen,’ zo staat in nog steeds hetzelfde voorwoord bij Strepen aan de hemel. Het heeft mij aan het denken gezet over de kunst van het weglaten. Daar heb ik het ook vaak met mijn leerlingen over. Ik denk dat de film The zone of interest van Jonathan Glazer zo krachtig is, juist omdat hij afblijft van alles wat er achter de muur gebeurt.

Bij het lezen van Aan het einde van de oorlog van Bert Natter kwam bij mij diep vanbinnen een steeds groter wordende weerzin omhoog, niet zozeer tegen de gruwelen die erin beschreven worden, maar tegen de beschrijving ervan. Met in mijn achterhoofd de stemmen van Durlacher, Wiesel, Levi, Antelme, Scholl en Debreczeni kon ik alleen nog maar in mijn hoofd herhalen: dit is niet wat we moeten lezen, dit is niet wat onze kinderen moeten lezen, het komt zelfs niet in de buurt van wat we allemaal zouden moeten blijven lezen!

Natters boek is geschreven in de taal van nu en doet armoedig aan als je weet hoe subtiel zijn voorgangers, de getuigen, waren. Het is begrijpelijk dat hij de SS’ers als bruten en misschien ook als sneue antihelden wil neerzetten, maar het mist zijn doel als hij Karl Zehlendorf zijn secretaresse als ‘lekker ding’ laat omschrijven, haar in de archiefkast laat verkrachten. Nog veel erger wordt het als Natter meer zijn best gaat doen en beschrijft hoe Zehlendorf in het crematorium op zoek gaat naar zijn vermiste zoon:

Ondanks de drukkende, bijna agressieve hitte treft zijn eigen weekheid Karl als een bitterkoude kogel in het middenrif als het door de Jood weggetrokken lijk iets openbaart wat hij nooit had willen zien: het uitgemergelde lichaam van wat hij denkt dat een jongen moet zijn, vast een Jodenjong of het resultaat van sociaaldemocratische inteelt, maar toch… Hij kan niet uitmaken hoe oud hij is, zijn kale kop, zijn huid vol zweren en schilfers en in de onderarmen en benen hondenbeten, met geronnen bloed eromheen. Rond de mond meent Karl een serene glimlach te zien, iets beters dan bij al die koppen die hij net zag. Hij laat zijn blik over het lichaam gaan. Geen borsten… Hij kijkt naar het schaamhaar… geen pik? Hij kan moeilijk gaan voelen of het geslachtsdeel tussen de benen is gezakt… Is dit niet toch een vrouw? Karl verheft zich, gaat op zijn tenen staan en kijkt nogmaals schuin over de buik om te zien of er iets van een geslachtsdeel zichtbaar wordt. Een man? Een vrouw? Het is nauwelijks een mens. Hij zet een stap opzij, is dat… kan dit… een kind?

Het is misschien niet eerlijk om een boek van een kampgetuige te vergelijken met deze roman, maar als de jury van de Libris Literatuur Prijs het werk beschrijft als ‘een roman die op een weergaloze, ontroerende maar ook confronterende wijze een geschiedenis, onze geschiedenis, hervertelt die nooit vergeten mag worden,’ dan vraag ik me af waarom deze geschiedenis herverteld moet worden als deze al zo veel beter geboekstaafd is. Zet Natters bovenstaande beschrijving tegenover Primo Levi’s beschrijving van de muzelmannen:

zij, de muzelmannen, de teloorgeganen, vormen de ruggengraat van het kamp; zij, de naamloze, altijd andere en altijd eendere massa, de niet-mensen die in stilte marcheren en zwoegen, in wie de goddelijke vonk is gedoofd, die te uitgeblust zijn om nog echt te kunnen lijden. [….]. Ze bevolken mijn geheugen met hun schimmige aanwezigheid, en als ik al het kwaad van onze tijd in één beeld kon samenvatten, zou ik dit beeld kiezen, dat ik zo goed ken: een uitgemergeld mens met hangend hoofd en kromme schouders, in wiens gezicht en ogen niets meer te lezen is van een gedachte.

Natters boek is geen hervertelling van onze geschiedenis. Zijn verhaal is fictie. In een interview in de Volkskrant legt hij uit waarom hij over zijn dochter en moeder geen romans heeft geschreven, maar non-fictie: ‘Ik zou het gebrek aan respect vinden als ik Lidewij zou gebruiken als romanpersonage. Dan loop ik het gevaar van effectbejag. Daarvoor is ze me te dierbaar, te onschuldig.’ Maar waarom, in vredesnaam, doet hij dit wel bij al die naamloze, onschuldige oorlogsslachtoffers? Misschien ben ik te ernstig in dezen. Ooit had ik een vergelijkbaar bezwaar tegen De bekeerlinge van Hertmans, als kleine kanttekening bij een boek dat ik heel mooi en heel goed vind. In reacties op mijn stuk werd ik ‘woke’ genoemd, want dan zouden er toch helemaal geen historische romans meer geschreven kunnen worden? Ik heb daar geen antwoord op.

Het plot waardoor Natters boek bij elkaar wordt gehouden, doet sterk denken aan The boy in the striped pyjamas van John Boyne, waarbij ook de zoon van een hoge Duitse militair per ongeluk in de gaskamers terecht komt, maar dan door de vriendschap met een joodse jongen in het kamp. Dat boek werd jarenlang veel door leerlingen gelezen, niet voor Nederlands in de bovenbouw, want het was vertaald. De film ervan was erg populair, maar werd ook vaak ‘holocaustkitsch’ genoemd, omdat deze vooral op emotie inspeelt en een verkeerd beeld geeft van de historische werkelijkheid. Hoe anders is een oorlogsboek als De herinnerde soldaat van Anjet Daanje. Zij heeft nauwelijks gruwelijkheden of een plot nodig door dit waanzinnige experiment dat de lezer absoluut laat nadenken over de oorlog en vooral ook over de mens.

Een fragmentarische opzet kan literatuur op een bijzondere manier verdiepen, zoals Leonieke Baerwaldt doet in Dagen als vreemde symptomen, of Liselot Mariën in Als de dieren. Deze boeken hebben echter door hun verwijzingen naar bijvoorbeeld de mythe van Sisyfus en de hel van Dante ook een gelaagdheid in zich waardoor het persoonlijke verhaal zichzelf overstijgt. Bovendien leggen die boeken een maatschappelijk taboe bloot. Het eerste boek het taboe rond de mantelzorgende moeder, het tweede de duistere kant van het moederschap. Die boeken schuren, maar niet zoals Aan het einde van de oorlog doet. Natters boek schuurt, omdat het de holocaust geen recht doet en omdat de fragmentarische opzet eerder een truc is geworden als een soort samenraapsel van cliffhangers. Er zit geen psychologische diepgang in, de personages zijn oppervlakkig, clichés.

Neem dan de bescheidenheid van Robert Antelme, die aan het begin van zijn De menselijke soort erop wijst dat hij niet in een vernietigingskamp heeft gezeten: ‘Ik doe hier verslag van wat ik heb meegemaakt. Het bevat niet zo veel verschrikkelijks. In Gandersheim was geen gaskamer of crematorium.’ Zijn boek ontwricht desalniettemin, omdat hij onderzoek doet naar de menselijke soort:

We zijn bijna geraamtes, vel over been. Daarbinnen leeft alleen de wil voort, een verlaten wil, maar alleen die maakt het mogelijk om vol te houden. De wil om te wachten. Te wachten tot de kou overgaat. Die tast de handen aan, de oren, alles wat aan je lichaam dood kan gaan zonder dat je sterft. De SS-kou. De wil om overeind te blijven. Je sterft toch niet rechtop. De kou zal overgaan. We moeten niet schreeuwen, in opstand komen of proberen te vluchten. We moeten van binnen inslapen, het laten gebeuren, als een foltering, daarna zullen we vrij zijn. Tot morgen, tot de soep, geduld, geduld…

Wie dit boek leest, komt daadwerkelijk tot inzicht in de menselijke soort, omdat Antelme in staat is in detail te beschrijven wat er in de menselijke geest gebeurt als de mens zo in het nauw gedreven wordt. Hij heeft het niet nodig om de SS’ers als laf of bruut neer te zetten. De kracht van zijn boek is nu juist dat hij dat niet doet, maar dat hij tot de conclusie komt dat er maar één menselijke soort is, ook als de mensen binnen die ene soort elkaar naar het leven staan:

Maar wij blijven ondubbelzinnig mensen, wij eindigen alleen maar als mensen. De afstand die ons scheidt van andere soorten blijft onaangetast […] er zijn geen menselijke soorten, er is één menselijke soort. Omdat wij mensen zijn zoals zij, zullen de SS’ers uiteindelijk machteloos staan tegenover ons. Omdat ze geprobeerd hebben de eenheid van deze soort in twijfel te trekken zullen ze tenslotte verpletterd worden.

Dietske Geerlings