Opinie: Manon Uphoff reageert op ‘broddelwerkje’ van Margriet de Koning Gans over Oroppa en Wees onzichtbaar
In Hollands Maandblad verscheen een stuk van Margriet de Koning Gans over Oroppa van Safae el Khannoussi en Wees onzichtbaar van Murat Isik. Het is gratis te lezen op de site van Hollands Maandblad. Manon Uphoff las het stuk ook en was verbijsterd door dit ‘broddelwerkje. Op Facebook plaatste ze haar reactie, die we hieronder, met toestemming, overnemen.
Voor nop wat orientalisme
Hoewel het essay van Margriet de Koning Gans over Oroppa enkele interessante observaties bevat, zijn die vooral interessant omdat ze blootleggen hoe het essay bol staat van de vooroordelen en een minachtende houding naar de Arabische literatuur. Het vertoont sterke kenmerken van Oriëntalisme. We weten het wel, deze door Edward Said bekend geworden term voor een westerse houding die de Arabische/Oosterse wereld als statisch, onlogisch, exotisch en mysterieus wegzet, vanzelfsprekend tegenover een rationeel en superieur Westen.
Het wemelt van de generalisaties over lees- en schrijfcultuur. De Koning Gans doet boude uitspraken over de geletterdheid en de intellectuele traditie van de Arabische wereld die discutabel of neerbuigend zijn. Bijvoorbeeld over analfabetisme en de Koran. Ze stelt dat het uit het hoofd leren van de Koran suggereert dat moslims ‘geen lezers waren, of zijn.’ Dit negeert de rijke schriftelijke traditie, de enorme bibliotheken van Bagdad en Córdoba en het feit dat de Arabische wetenschap en filosofie de basis legden voor de Europese Renaissance. Ook doet ze hiermee geen enkel recht aan de rijkheid van orale verteltradities.
‘Geen tijd om te lezen’. De opmerking dat men te druk was met het verspreiden van de islam (‘te vuur en te zwaard’) om te lezen, is een stuitend clichématig vijandbeeld dat de eeuwenlange bloei van literatuur, poëzie en theologie reduceert tot een culturele overdracht, geworteld in louter geweld. Daar kunnen we nou juist in het Westen een puntje aan zuigen, dat soort overdracht. De ‘Westerse Mal’ als superieure standaard.
De auteur meet de romans van Isik en El Khannoussi af aan een puur Europese meetlat. Ze neemt ze de maat middels de Aristotelische opbouw, bekritiseert het gebrek aan een ‘bewust opgebouwde spanningsboog’ of een ‘ontknoping’. Hiermee impliceert ze dat de klassieke Griekse drama-structuur de enige juiste, waardevolle manier is om een verhaal te vertellen. Experimentele, gefragmenteerde of cyclische vertelvormen (die ook in de westerse postmoderne literatuur toch al heel gewoon zijn) schrijft ze hier toe aan een gebrek aan kunde of een ‘nomadische inslag’. De hemel mag weten wat dat is, die inslag.
Dan is de stelling van Koning Gans dat in de Arabische cultuur ‘de mens niet centraal staat, maar Allah’ en dat er daarom geen tragiek of karakterontwikkeling mogelijk is. Dit miskent de existentiële diepgang van talloze Arabische auteurs. Komen we bij exotisering en het beeld van de Edele Wilde.
De auteur zoekt de verklaring voor de schrijfstijl niet in de artistieke keuze van de schrijvers, maar in hun ‘natuur’ en vraagt zich af of de traagheid van Isik komt door de ‘weidsheid van Klein-Azië’, waar mensen, zoals we allemaal weten ‘alle tijd hebben’, ja dat lanterfant daar maar wat aan. Hiermee koppelt ze een literaire stijl aan geografie en temperament, wat grenst aan een simplistisch en hol determinisme: het idee dat je geboortegrond volledig bepaalt hoe je denkt en schrijft.
De ‘loungende’ broodheer. De beschrijving van de Arabische dichter die een broodheer moet plezieren die ‘in de brokaten kussens zat te loungen’ en sowieso geen scherp oor had voor een verhaal, als het daarbinnen maar glimt en blinkt, schept een bizar, karikaturaal en 19e-eeuws beeld van decadentie en luiheid.
Tot slot wat topografische mierenneukerij. Haar kritiek op de Looiersgracht (‘het kan er bij mij niet in’) is opvallend. In de literatuur is de fictieve waarheid belangrijker dan de kadastrale werkelijkheid. Door te vallen over de breedte van een grachtje in relatie tot de rijkdom van een personage, lijkt ze de auteur (El Khannoussi) te willen betrappen op een gebrek aan kennis van de ‘echte’ (Amsterdamse/westerse) wereld. Tja, zo kunnen we aan de gang blijven. Dat een gekruisigde weer levend wordt, dat een houten pop een lange neus krijgt als hij liegt enz. enz. Het is me wat.
Dit soort essayistiek is een literair tijdschrift anno 2026 echt onwaardig.
De Koning gedraagt zich als een Gans. Ze plaatst de schrijvers buiten de Nederlandse literatuur, ook al schrijven ze er (en dit ook al heel lang) middenin. Mijn oren klapperen. En dan bevelen jullie dit broddelwerkje ook nog aan.
Het is dan wel gratis. Maar wat hebben we daaraan?
Manon Uphoff
(foto: © Dolf Verlinden)
