De tuinman die niet vluchtte

Zodra je de titel van de vertaling van Georgi Gospodinovs nieuwe roman ziet, De dood en de tuinman, denk je: waarom andersom? We kennen immers allemaal het fraaie gedicht ‘De tuinman en de dood’ (1926) van P.N. van Eyck, al was het maar vanwege opwinding over een zweem van plagiaat dat er omheen hangt. Een zweem, meer niet, want ‘De tuinman en de dood’ is Van Eycks geslaagde vertaling uit het Frans van een gedicht van Jean Cocteau (door Van Eyck niet genoemd), die het weer baseerde op een verhaal uit de Talmoed en/of de Perzisch-soefistische verhalencanon. Het verhaal is dus niets minder dan een literaire topos, die ook de Bulgaar Gospodinov zal kennen.

De ik van De dood en de tuinman, die voor zover valt na te gaan geheel samenvalt met de auteur, heeft een nauwe band met zijn vader. Een band die nog wordt aangehaald nadat een arts, terwijl hij een potje met biopten van een gezwel in vaders lijf voor hun ogen heen en weer schudt, zegt: ‘één, hooguit anderhalf jaar nog’. Zeventien jaar zal zijn vader dan nog leven. Allengs zwakker, maar zo lang als hij nog kan werkend in zijn tuin, die niet veel minder is dat zijn raison d’être.

De vader heeft humor en is niet verzuurd gedurende de jaren van het communisme, toen het Bulgaarse regime hem elke kans op een carrière ontnam omdat hij weigerde mee te doen aan de jaarlijkse partijfestiviteiten en aan de 1 mei-optochten om de hegemonie van de arbeidersklasse te vieren. Kritische vragen over van de lokale partijbonzen over zijn absentie beantwoordde hij met zulke flauwe smoezen dat ze niet anders begrepen konden worden dan als spot. Zij bestraften hem door hem alleen laagwaardige los-vast-baantjes te gunnen, maar dat deerde hem niet, hij had immers zijn tuin.

Met zijn zoon praten over de tuin verschaft beiden de taal om gevoelens uit te te drukken die men, althans mannen, in Bulgarije en misschien wel op de hele Balkan, nooit direct zal uiten. De zoon weet dat alle adviezen die hij krijgt over zaaien, planten, mesten, wieden, snoeien, spitten, oogsten en wat niet al, niet alleen bedoeld zijn als praktische aanwijzingen, maar ook om te zeggen dat zijn vader beseft dat diens einde naderbij komt. Pas als zijn vader het bed moet houden en de pijn erger wordt, verdwijnen voor beiden gevoelens van gêne en kan hij zijn vader vasthouden en diens handen strelen.

De dood en de tuinman is een roman, zodat we niet weten waar Gospodinov feit en werkelijkheid verlaat en fictie schrijft. Maar maakt dat wat uit? Feit is dat hij met De dood en de tuinman een zeer ontroerende roman heeft afgeleverd, die veel humor bevat en mede dankzij Gospodinovs fijnzinnige stijl nergens larmoyant wordt.

Ten slotte nog die omdraaiing in de titel. Als er al wat verklaard moet worden, zou ik denken: als de Dood na zijn ontmoeting met de tuinman is afgereisd naar Ispahaan, dan zal hij hem daar niet getroffen hebben, want hij is rustig blijven doorspitten in zijn tuin.

Hans van der Heijde

Georgi Gospodinov – De dood en de tuinman. Vertaling Hellen Kooijman. Ambo|Anthos, Amsterdam. 224 blz. € 23,99.