Fiesta: The sun also rises | Stijl als een vorm van agressie

Ernest Hemingway staat bekend om zijn stijl. Een paradoxale stijl, want hij trekt de aandacht door nadrukkelijk bescheiden te zijn. Je vindt in Fiesta geen lange zinnen, geen lange beschrijvingen met opeenstapelingen van adjectieven, geen poëtisch of symbolisch taalgebruik: Hemingway is de godfather van de gortdroge, observerende stijl.
Zowat elke zin is een nieuwe observatie: Jake krijgt iets in het oog en als ik-verteller geeft hij dat door aan de lezer. Zo krijg je een vloedgolf van simpele, korte zinnetjes, die toch niet echt vlot lezen omdat ze niet op elkaar aansluiten. Thrillers zijn ook dikwijls geschreven in simpele, korte zinnen, om de leessnelheid zo hoog mogelijk op te jagen. Maar bij Hemingway is er iets anders aan de hand. Zijn zinnetjes remmen juist af. Ze schuren en schrapen. Ze wekken de indruk uit de losse pols op papier te zijn gesmeten, maar verraden een bewuste techniek. Knap gedaan, zeker, maar: met welk doel?
We laten het verhaal en de thema’s even voor wat ze zijn, want ik geloof dat het verhelderend kan zijn om in te zoomen op de stijl van Fiesta.

Een literair landschap zonder pieken
Kern van de zaak: Hemingway doet niet aan symboliek.
Een voorbeeld. Als Jake in hoofdstuk 4 door het nachtelijke Parijs naar zijn flat wandelt, lezen we dat hij een pleintje oversteekt met een standbeeld van Ney erop. Maarschalk Michel Ney (1769-1815) was in dienst van Napoleons leger. Na de nederlaag bij Waterloo werd hij ter dood veroordeeld wegens hoogverraad. Hij kreeg toestemming om zijn vuurpeloton zelf het bevel tot vuren te geven.
In een roman waarin oorlogstrauma’s en -wonden een rol spelen, is het verleidelijk om in de vermelding van een verslagen en onteerde militaire bevelvoerder iets betekenisvols te zien. Gewoonlijk worden militaire bevelhebbers voor een standbeeld op een paard gezet. In zijn studie Mannen die deugen. Op zoek naar een nieuwe vorm van mannelijkheid noemt historicus Ivan Jablonka dat de ‘twee-eenheid van het ontembare paard en de krijgshaftige man’, een mix van macht en fallus. En het Ney-beeld is het absolute tegendeel van zo’n ruiterstandbeeld: geen spoor van een paard, geen spoor van een overwinning.
De beeldspraak lijkt zo klaar als een klontje, je kunt er haast niet naast kijken. Maar wil de auteur dat we ons blindstaren op dat ene detail? Hemingway’s zee van observaties maakt dat moeilijk: waarom zou dat standbeeld wèl belangrijk zijn, maar niet al die andere details over Jakes wandeling?
Het eerste café dat hij passeert is nog open, het tweede is al dicht: betekent dat iets? ‘The Boulevard Montparnasse was deserted’: moeten we daar iets uit afleiden over Jake’s gemoedstoestand? En dan de beschrijving van het standbeeld zelf! ‘I stopped and read the inscription: from the Bonapartist Groups, some date; I forget. He looked very fine, Marshal Ney in his top-boots’. Níets, helemaal niets komen we te weten over wat Jake denkt of voelt bij dat beeld: zijn observatie ervan blijft aan de oppervlakte (de maarschalk ziet er patent uit met die laarzen!), het opschrift is hij alweer vergeten zodra hij het gelezen heeft.
In honderden andere romans zorgt de schrijver ervoor dat het betekenisvolle, symbolische detail een soort piekje vormt: iets wat opvalt in dat landschap van taal. Maar Hemingways stijl is vrij van pieken: de lezer ziet een eindeloze rij observaties voorbijkomen, alsof ze op een transportband staan, allemaal exact even groot of klein, allemaal even belangrijk of futiel. Symboliek of citeerbare metaforen zoeken, in dit boek? Vergeet het.

I sat beside Brett and explained to Brett, enzovoort, enzoverder
Bij vlagen kwam de stijl van Fiesta me voor als een vorm van agressie. Lees deze passage over een inwoner van Pamplona: ‘I went to the Ayuntamiento and found the old gentleman who subscribes for the bullfight tickets for me every year, and he had gotten the money I sent him from Paris and renewed my subscriptions, so that was all set. He was the archivist, and all the archives of the town were in his office. This has nothing to do with the story. Anyway, his office…’
Van bij het begin is dit een festival van banaliteiten. Who cares waar Jake zijn tickets voor de stierengevechten vandaan haalt? Hemingway had dit kunnen afhandelen in één zin: ‘I went tot he Ayuntamiento and picked up my tickets for the bullfights’ en klaar is Kees.
Aan het einde doet de schrijver alsof hij een vergissing heeft gemaakt (‘This has nothing to do with the story’), maar te lui is om die te corrigeren. Die eerste kladversie bijwerken, haar polijsten? Nee, hij haalt zijn schouders op, schrijft ‘Anyway…’ en gaat verder. Een opgeheven middelvinger naar zijn lezers.
Ik ben ook geïntrigeerd door passages als deze: ‘I sat beside Brett and explained to Brett what it was all bout.’ Elders is er een zin die eindigt met ‘the bus’ en de daaropvolgende zin begint met ‘the bus’. Elke schrijver met een minimum aan talent of techniek ziet dat dit lelijke zinnen zijn, verpest door herhaling. Elke andere schrijver zou ze herwerken, maar Hemingway haalt opnieuw zijn schouders op: de lezer moet niet zo zitten zeiken, hoor je hem denken.
Er is Hemingway al heel vaak machismo verweten, en het is verleidelijk om dat te associëren met de stijl van Fiesta: hij schrijft zoals verzorgingsproducten voor mannen zijn vormgegeven. Denk aan shampooflessen die eruitzien als jerrycans. Geen tierlantijntjes voor Mister Hemingway, geen zorgvuldig geciseleerde zinnen, delicaat als porseleinen theekopjes die je naar je mond brengt met één opgeheven pink. Nee, die aanstellerij is voor vrouwen en mietjes. Niet voor mannen. Mannen schrijven rechttoe-rechtaan, zakelijk, feitelijk, soms uitdagend en opzettelijk klunzig.
Zoek het zelf uit, lijkt Hemingway te zeggen, ik ga het echt niet allemaal voorkauwen.
Niet meer dan wat macho-flauwekul dus, die afwerende stijl? Nee, dat geloof ik niet. Wat ik geloof is het volgende: Hemingway maakte met deze aanpak een heel interessant punt over mannen en de manier waarop wij met andere mannen converseren.

Mark Cloostermans

Volgende aflevering:
Zo’n sfeertje van “who cares?”
(Fiesta, Ernest Hemingway, 4/4)

In ‘Held in hoofdstukken’ gaat Mark Cloostermans in literaire werken op zoek naar constructieve, niet-toxische opvattingen over mannelijkheid. De bespreking van een boek wordt telkens over drie à vier afleveringen gespreid.

Boekenlinks: