Western heights

Als je in Arizona of Nevada door de woestijn rijdt, kom je af en toe een ghost town tegen. Spookstadjes waar pioniers ooit dachten een bestaan op te kunnen bouwen, tot het goud of het voedsel opraakte en de mensen stierven of verder trokken. Een eeuw later zijn hun nederzettingen fossielen in het stof, en als je langs het treinstation of de saloon loopt, hoor je misschien nog de echo’s van het wilde westen. Zo’n gevoel krijg je ook wanneer je Pedro Páramo (1955) leest. Juan Rulfo neemt je mee naar een Mexicaans dorpje waar de doden leven en de levenden sterven sinds de lokale caudillo zijn vrouw heeft verloren. Zijn novelle is altijd beklemmend en bij vlagen onbegrijpelijk, een soort gothic op de prairie die nog weken nagalmt in je hoofd.

Ik kwam naar Comala omdat ze zeiden dat mijn vader, een zekere Pedro Páramo, hier woonde. Mijn moeder zei dat. En ik beloofde hem na haar dood te gaan opzoeken.

Met die woorden begint Juan Preciado zijn Vatersuche. Ze komt een paar bladzijden later alweer ten einde, wanneer een man hem onderweg vertelt dat Pedro al jaren dood is en dat er niemand woont in Comala. Toch loopt hij verder de snikhete vallei in, ‘op de gloeiende sintels van de aarde, in de muil van hel zelf’. De huizen zijn overwoekerd, maar Juan komt mensen tegen. Vrouwen beweren dat ze zijn moeder hebben gekend, dat ze weten van zijn komst. In de kamer waar hij logeert klinkt het geschreeuw van de man die er ooit is opgehangen. Het dorp zelf is vergeven van de echo’s. ‘Je hoort gekraak. Gelach. Gelach dat al heel oud is, alsof het lachen moe is.’

Naarmate Juan door het dorp doolt komen de verhalen uit de tijd van zijn vader tot leven. Pedro zelf, ‘de vleesgeworden wraakzucht’, die met zijn schuldeisers afrekent. Zijn zoon Miguel die de vrouwen schendt. Pater Rentería die hen beiden het liefst naar de hel zou sturen maar daarvoor macht en moed mist. Dat Juan Preciado tussen zes planken belandt vormt nauwelijks een onderbreking; hij en zijn grafkistgenote praten gewoon verder. Samen luisteren ze naar het kermen van Susana enkele graven verderop. Al sinds ze kinderen waren hield Pedro van haar, wat in zijn geval betekent dat hij haar na dertig jaar laat opsporen en haar vader uit de weg laat ruimen om haar te kunnen bezitten. Het brengt hem geen geluk. Susana is krankzinnig en sterft ten slotte. De klokken beginnen te luiden en houden niet meer op. Mensen komen kijken en er ontstaat een feest. Zo is Comala dus geworden wat het is:

Don Pedro sprak niet. Hij kwam zijn kamer niet uit. Hij zwoer wraak tegen Comala: ‘Ik ga met de armen over mekaar zitten en Comala zal van honger omkomen.’
En dat deed hij.

Het is één ding om een verhaal vol geesten te schrijven. Het is een ander om die geesten echt tot leven te laten komen. Dat Rulfo hierin slaagt, zal de reden zijn dat hij ondanks een oeuvre van één novelle en de verhalenbundel De vlakte in vlammen als grondlegger van het magisch realisme wordt genoemd en dat Pedro Páramo steevast wordt uitgegeven met een voorwoord door Gabriel García Márquez, die het daarin overigens vrijwel uitsluitend over zichzelf heeft.

In de eerste plaats maakt Rulfo de geesten rijp voor het ongerijmde door de lezer constant in verwarring te brengen. Comala is een veelstemmig koor. Personages duiken op, verdwijnen en komen weer terug als je ze allang vergeten was. Tijden en perspectieven lopen door elkaar heen, zodat het vaak gissen is wie aan het woord is en wanneer.

De bevreemding die dat alleen al oproept bij de lezer wordt gespiegeld in die van Juan Preciado. Hij weet vaak niet of hij met een levende of een dode van doen heeft, en misschien weten de Comalanen dat zelf ook niet altijd. Sommigen praten alsof iedereen behalve zijzelf dood is, maar wanneer Juan hen confronteert met hun eigen sterven, zwijgen ze.

Om te begrijpen wat waar wanneer met wie in welke staat gebeurt, kun je terugbladeren, herlezen, schema’s bijhouden – bij een boekje van nog geen tweehonderd bladzijden kost dat niet eens zoveel tijd. Ook dan blijf je echter met legio vragen achter. Waarom opent Rulfo met Juan en diens missie om zijn vader te vinden, terwijl dat personage halverwege naar de achtergrond verdwijnt zonder dat hun relatie op enig moment is onderzocht? Wat zegt het dat Pedro bij zowat alle vrouwen kinderen heeft verwekt, behalve bij zijn vrouw? En dat hij daarvan alleen Miguel heeft erkend? Welke macht houdt de mensen van Comala gevangen in een aards vagevuur? En vooral: waarom dwalen zij bijna allemaal nog rond, inclusief Pedro’s geliefde Susana, maar schittert hijzelf door afwezigheid?

Over deze vragen zullen literatuurstudenten een berg scripties hebben aangelegd. Die helpen vast bij het doorgronden van deze novelle, maar er is nog een andere manier om haar te lezen. Accepteer dat het de bedoeling is om in Comala te verdwalen. In Rulfo’s Mexico zijn leven en dood geen tegenstelling. Zie de geesten die Juan Preciado tegenkomt voor wat ze zijn: de logische voortzetting van de rituelen die Pater Rentería met tegenzin uitvoert voor de overleden zondaars om hen heen en van het dodenofficie dat de dorpsvrouwen gretig opzeggen voor ieder van aanzien. Omarm het onverklaarbare. Laat je meevoeren naar een dorp waar de tijd stil is blijven staan, het zal je opslokken.

Tobias Wijvekate

Juan Rulfo – Pedro Páramo. Uit het Spaans vertaald door Jos den Bekker. Meulenhoff, Amsterdam. 192 blz. € 21,99.