De kanarie in de onderwereld

De enige troost voor het feit dat levende dichters doodgaan, is dat dode dichters blijven leven. Wie mocht denken dat Lieke Marsman is afgedaald in de onderwereld, leze haar De dichter en de duivel, en komt er spoedig achter dat de zaken omgekeerd zijn: zij heeft ons daarin achtergelaten.

Ik zal niet de enige zijn geweest die na haar Op een andere planeet kunnen ze me redden stiekem de hoop had dat het universum haar goedgezind zou zijn, juist omdat voor haar niets te gek was om kritisch te onderzoeken: buitenaards leven, het bestaan van God, hemel, hel, alternatieve zienswijzen, nog los van al haar pijnlijke en alsnog ziekmakende behandelingen tot en met de amputatie van haar schouder, arm. Het mocht niet zo zijn, en Marsman zelf zou de laatste zijn om te denken dat het haar meer gegund zou zijn dan wie dan ook, want vlijmscherp analyseert ze in haar vorige boek de afwegingen van behandelingskosten tegen de opbrengst van nog een beetje langer leven, waarbij volstrekt duidelijk wordt wie er nu precies baat heeft bij de vaak peperdure behandelingen:

Wil men de zorg de komende jaren betaalbaar houden, dan moet de Europese Unie zo snel mogelijk de macht van de farmaceutische industrie breken en de uitvindingen van haar universiteiten zelf door gaan ontwikkelen. Ook dat zal kosten met zich meebrengen, maar die zullen nooit opwegen tegen het feit dat medicijnen voortaan tegen kostprijs bij burgers terechtkomen en niet langer de miljardenwinsten hoeven op te hoesten van bedrijven als Novartis, dat alleen al in 2023 14.9 miljard winst maakte. / Enfin, daar zou ik de grens dus trekken.

Minstens zo scherp zit Marsman in De dichter en de duivel de duivel op de hielen, want zo is het maar net, en niet andersom. Op de eerste bladzijde waarschuwt ze met een motto van Omar El Akkad dat je zelfs de doden mag vergeten, als je maar blijft vechten tegen diefstal van je eigen ziel. Laat dat precies zijn waar wij met z’n allen mee bezig zijn, zo toont zij in haar niets ontziende spiegel: onze ziel aan de duivel verkopen.

De proloog is tenenkrommend, hemeltergend én hilarisch, al was het maar omdat Marsman ineens gebruik maakt van een nogal plat eindrijm, waarbij ‘Lay’s Sensations-chips’ rijmt op een mogelijke ‘apocalyps’ en een ‘onbekende kloof’ op haar eerste metgezel naar de onderwereld: ‘Dick Schoof’. Er is geen plaats en tijd voor mooischrijverij. De dichter slaat ons om de oren met de taal van deze tijd, die doorhangt onder goedkoop Amerikaans: ‘geautotunende brulbasstem’, ‘sneakervormige angstzweetvoeten’, ‘default-mindset’, ‘burn-out’, ‘impactstrategie’, ‘outlet-opportunity’, ‘toolbox’, ‘in-betweengordijnen’ en ‘all-inclusivegroepsreis’. We hoeven geen stampij te maken over de taalarmoede van de moderne dichter als we ons na het dichtslaan van de bundel weer wentelen in onze eigen platte gemakzucht, waarbij we ons steeds vaker de moeite voor vertaling besparen en die anders het liefst overlaten aan chatbots, die van iedere taal eenheidsworst maken.

Marsman daalt met verwijzing naar Dantes hel in zeven rondes af in de onderwereld, en treft daar o.a. Gerrit Zalm, die voor veel mensen lange tijd de stabiele factor leek. In een venijnige dialoog met hem laat Marsman zien hoe hij eraan heeft meegewerkt dat alles wat onze zorg nodig heeft, geprivatiseerd werd en inmiddels onder invloed staat van marktwerking:

‘Wat vindt u,’ vroeg ik voorzichtig, ‘van de ongelijkheid
die de laatste decennia zo is toegenomen
als gevolg van het feit dat belasting op vermogen

persistent laag is gehouden en alle publieke voorzieningen
aan de markt zijn toevertrouwd, waardoor er
in één klap tientallen bedrijven bij kwamen

die winst moesten maken terwijl ze toegang kregen
tot de vitale infrastructuur van ons land
waar nogal wat mensen afhankelijk van waren?’

Gerrit, zoals Marsman hem mag noemen, kijkt er met plezier op terug. Altijd goedgehumeurd, die man, maar Marsman fileert genadeloos het gedachtegoed van de VVD: ‘Waarom moet iedereen altijd alles verdienen, / behalve kinderen die geld van hun ouders krijgen?’

Zodra we in een crisis belanden, zijn er bedrijven die daar weer een slaatje uit slaan. En wat heb je aan al dat geld, als het erop aankomt, aan al die goud-ETF’s bijvoorbeeld: ‘met echt goud / kan je misschien nog een gat // in je dak stutten, iemand de hersens inslaan. / Nee, sta je daar, oog in oog met de vijand, / met in je hand je telefoon met Binance Wallet.’ Zalm beschuldigt haar ervan dat ze met al haar linkse gedachtegoed vooral polariseert, maar haar verweer is raak:

Het gaat mij niet om links of rechts,
maar om de vraag: ben je anno 2026 nog in staat
om een gelaagde boodschap te ontvangen,

of reageer je alleen nog maar wanneer iemand
de realiteit voor je platslaat of opklopt?
[…]

Zalm weet niets anders meer te zeggen dan dat zij zelf toch ook geniet van de hypotheekrenteaftrek. Dat is wat je naar je hoofd geslingerd krijgt, als je kritische vragen stelt: een jij-bak. De bundel haalt talloze uitspraken van politici aan, elk met een eindnoot verantwoord, die duidelijk maken hoezeer wij met z’n allen op het randje van de hel balanceren, waarop geweld, haat, uitbuiting en uitsluiting volkomen genormaliseerd zijn. We lijken helemaal niets van onze geschiedenis geleerd te hebben, maar de geschiedenis is dan ook ‘geen herhaling, maar een fuga’. Hier raakt Marsman een schrijnend contrapunt.

Hoe strijdlustig de bundel ook is, halverwege slaan de angst en het verdriet toe. Op ontroerende wijze zoekt Marsman troost bij haar grote voorbeeld: Esther Jansma, die haar in de dood aan kanker is voorgegaan: ‘’Is het eng om te sterven,’ vroeg ik’, want ja, misschien zit dan niet zozeer de duivel, maar dan toch zeker de dood haar op de hielen. En dat is gedurende de hele bundel de zware bastoon die voor geen enkele lezer is mis te verstaan. De dichter is er niet meer om de ontvangst van haar laatste bundel mee te maken.

Overal tussen de regels door verwijst Marsman subtiel naar de wereldliteratuur en -geschiedenis, de dwarsdenkers die zich met gevaar voor eigen leven inzetten voor de mensenrechten. Weergaloos laat Marsman een echo van Emily Dickinson klinken, als zij de hoop aan het woord laat in een ‘kleine, vermagerde kanarie’: ‘een trillend hoopje veren’. De kanarie zingt artikel 30 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Alleen voor die kanarie wil je de bundel al in je kast hebben staan.

Marsman laat ons niet met lege handen achter, maar met een rots waaraan we onze geest kunnen slijpen. Als we onze planeet willen redden, hebben we dichters nodig, dode en levende, om ons te trainen in gelaagdheid en nuance, kritische denkers die de weerbarstige meerstemmigheid in onze samenleving spiegelen, niet om die in twee uitersten uiteen te drijven, maar om tussen alle bagger en goedkope rotzooi de grondvesten van onze democratie terug te vinden.

Dietske Geerlings

Lieke Marsman – De dichter en de duivel. Pluim, Amsterdam/ Antwerpen. 120 blz. € 25,98.