Recensie: Lies Gallez – Twee mensen worden
Vergeef ons onze schulden
Het is een beproefd recept, niet in de laatste plaats in jeugdboeken: de dappere eenling tegen de machtige, gewetenloze booswichten, die natuurlijk alleen maar aan geld denken. Lies Gallez gebruikt het voor haar roman Twee mensen worden. Al in haar kinderjaren heeft protagonist Echo er mee te maken, als de gemeente onder invloed van havenbaronnen een heel dorp wil slopen om er bedrijfsgebouwen en parkeerterreinen van te maken. Later in haar leven zet Echo zich in om een bedreigd bos te redden in een vergelijkbare strijd.
Het is natuurlijk ook een fijn tot de verbeelding sprekend concept met zo’n duidelijke scheidslijn tussen goed en kwaad. De Bijbelse David en Goliath bleven door de eeuwen ook schrijvers inspireren tot Annie M.G. Schmidt toe, bijvoorbeeld met haar later verfilmde succesboek Minoes. Klein tegen groot, zwak tegen sterk. Of in hedendaags Nederlands: deugen versus niet deugen.
Echo keert als volwassen vrouw terug naar het dorp dat in haar kinderjaren bedreigd werd met sloop en waar de bewoners steeds opnieuw in het ongewisse werden gelaten. Het verwijst naar het lot van Doel bij Antwerpen, een plek met al niet minder tot de verbeelding sprekende koeltorens van de kerncentrale dreigend op de achtergrond. Chris De Stoop schreef in 2000 in zijn persoonlijke boek De Bres ook al over dat bedreigde dorp en vijf jaar later met Dit is mijn hof een eveneens enigszins verwant werk over de ontpoldering van de Hedwigepolder. In alle gevallen is het leven van de bewoners en daar werkende boeren ondergeschikt gemaakt aan het kapitaal van haven en industrie.
Lies Gallez schreef dan wel een roman, maar haar intense betrokkenheid bij de gewone mensen, die het al niet gemakkelijk hebben om het hoofd boven water te houden, en de bedreigde natuur is niet te missen. Het verhaal springt voortdurend heen en weer tussen Echo’s jeugdjaren en haar nieuwe strijd. Destijds voelde ze zich betrokken bij haar depressieve alleenstaande moeder, die haar geld moest zien te verdienen als prostituee, later in haar leven neemt ‘de moederboom’ die rol over.
Natuurlijk schuurde er van alles tussen de met het bestaan worstelende moeder, die veel te veel port drinkt en met dubieuze types omgaat, en haar puberdochter. Maar aan de afwezige vader, die ‘aan de overkant’ leeft, dat wil zeggen in de grote stad waar de gewetenloze kapitalisten huizen, heeft ze in ieder geval niets. Al blijft ze hem wel zoeken.
Door haar verleden met die kwetsbare moeder te plaatsen tegenover de kwetsbaarheid van de bomen in het bos, dat volgens de plannenmakers ‘in de weg staat’, ontstaat een spiegeling, een echo zo je wilt, die in één moeite door verder verwijst naar de kwetsbaarheid van de aarde, die je ons aller moeder zou kunnen noemen.
Het recept van de goeden tegenover de kwaden is natuurlijk (on)behoorlijk zwartwit, kerncentrales bijvoorbeeld zijn binnenkort misschien wel juist onze redding als we het over de klimaatcrisis hebben, maar in dit boek staan ze voorlopig nog even aan de ‘verkeerde kant’. Zo zijn we het ook gewend geraakt. Ze hebben hun uiterlijk dan ook niet mee met die ongenaakbare koeltorens, zo passend bij de steeds opnieuw herhaalde enge verhalen.
Dat stigma is ook een beetje het manco aan het verhaal van Echo. Ze is zo’n eco-romantisch type dat op blote voeten door het bos loopt, houdt van bomen knuffelen, pogingen doet om met dieren te praten, niets lekkerder vindt dan de geur van rottende blaadjes en zo simpel mogelijk wil leven, dus in een boomhut. Dat laatste natuurlijk ook of vooral om de gemeentelijke bomenrooiers tegen te houden, wat uiteindelijk niet lukt. Nogal eens sijpelt daarbij wat ecoreligieuze taal door.
De jonge boom leg ik voorzichtig neer op de droge bodem tussen de uitgebloeide paardenbloemen.
‘Vergeef ons onze schulden,’ fluister ik.
Echo citeert graag en veel uit boeken van geestverwante schrijvers, onder wie Peter Wohlleben, de semi-wetenschappelijke bestsellerauteur, die zich inzet voor de rechten van planten. Een kleine stap richting bomen, die in Gallez’ roman zo’n voorname rol spelen. Naarmate het verhaal zijn einde nadert, bezigt Gallez een steeds larmoyanter taalgebruik, dat uiteindelijk alleen degenen die al op dit spoor zitten, nog zal kunnen bekoren.
De pogingen tot zelfverminking van moeder en dochter zullen wel moeten verwijzen naar hun existentiële wanhoop, maar steeds opnieuw vraag je je af of houden van oude bomen en overtuigd zijn van de klimaatcrisis per se gepaard zou moeten gaan met dit soort neo-hippiegedrag. Een benadering die zonder twijfel veel minder effectief is dan politieke of juridische strijdvaardigheid.
Ik zie een vogel en het is mooi. Ik zie een blauwe lucht en het is mooi. Ik zie een boomtop in de lucht met een vogel die tekent en het is mooi. Ik zie jong gras, de eerste paasklokjes en het is mooi. Wie zijn die wezens? Met één blik kan al die schoonheid binnenstromen, die volledige bezielde wereld. En het is zo verschrikkelijk mooi dat ik mezelf moet openbreken als een diep ja.
De stilte gaapt naar me en ik glimlach. Maar ik huil.
Voor een roman zijn dat uiteraard geen vragen die beantwoord hoeven te worden. Het verhaal van Echo is echter, getuige de achterin opgenomen verwijzingen naar Gallez’ eigen bevlogenheid op dit gebied, wel degelijk bedoeld als expliciete boodschap aan de lezer. Toch zullen een stuk of wat lezers erbij in een boomhut het verschil niet gaan maken. Twee mensen worden wil daarmee niet echt overtuigen als roman en evenmin als pamflet.
André Keikes
Lies Gallez – Twee mensen worden. Querido, Amsterdam – Antwerpen. 334 blz. € 22,99.

