De macabere dans van de mens, van de wereld

De doodstrompet van Paul Demets kan gelezen worden als een memento mori. We zijn onlosmakelijk verbonden met onze vergankelijkheid en het is of in deze bundel door het bewustzijn daarvan zich raadselachtige metamorfosen in onszelf en onze omgeving openbaren, waardoor schijn en werkelijkheid door elkaar lopen als in een surrealistische film.

Het eerste gedicht zou een openingsshot kunnen zijn van een film: ‘Ik liep op een zandweg en zag een verlaten auto, / het portier geopend. Je boog je hoofd, / hurkend tegen een boom.’ De waarneming wordt al spoedig in twijfel getrokken. Door licht, schaduw en opwaaiend zand ziet de ik de jij steeds op een andere manier, verliest haar uit het oog en gaat uiteindelijk verblind aan haar voorbij, alsof het een luchtspiegeling betreft.

Het tweede gedicht zou een vervolg kunnen zijn:

De hitte maakte het water licht. Ik aardde niet.
Een libel trilde, tilde het blauw op
met haar vleugels. Was jij het die dook
of kreeg het oppervlak benen?

Iemand noemde mij een verloren zoon. Door lichtstralen
zocht ik mij een weg. Ik zag je een ei oprapen
dat je in je schoot verborg. Je draaide het
als een gloeilamp, je huid begon te glimmen.

Ik voelde de albumine, hoe ik daarin verdween.
Ik leerde ademen op jouw ritme. Hagelsnoeren
hielden mij vast. Ik bewoog mij tussen vliezen
en voelde je vingers, hoe vloeibaar je werd.

Ik wist dat ik je moest dragen.

Ergens tussen hemel en aarde bevindt zich de ik, en zowel de ik als de jij kunnen van vorm en persoon veranderen. Zoekt de verloren zoon zijn weg terug naar de buik, waar hij ademt op het ritme van de moeder? Hagelsnoeren zijn de spiraalvormige banden van albumine die een eidooier in het midden houden. Door het beeld van de libelle en het ei krijgt het gedicht iets ijls en breekbaars. Geboorte en dood liggen als doorzichtige lagen over elkaar en het is een raadsel hoe die twee in elkaar overvloeien. Het onzeker tasten naar betekenis in het hoofd van de lezer loopt parallel met de zoektocht van de ik. De combinatie van het ei (symbool van vruchtbaarheid) en de gloeilamp (symbool van menselijk vernuft) is vervreemdend.

Via ragfijne overgangen tussen de gedichten gaat de ik verder en verder op zoek naar zichzelf, maar blijft daarin dwalen tussen sterven, dromen, slapen, broeden. Uit meisjesschouders komt een moeder tevoorschijn, uit moederheupen een vrouw, en de ik wil maandelijks bloeden als de vrouw. Na enkele gedichten staat er: ‘Ik werd een te vroege man, een oud kind / dat zichzelf ter wereld moest helpen.’ In de aantekeningen achterin is te lezen dat Demets in 2015 dankzij de spoedarts en een medische ingreep aan zijn tweede leven kon beginnen. Deze bijna-doodervaring van de dichter geeft het memento mori van de bundel naast een universeel ook een persoonlijk karakter.

Het fraaie van Demets poëzie is dat het persoonlijke niet alleen verbonden is met de individuele ander, maar ook met de maatschappij, de geschiedenis en de aarde, waartoe we ons moeten verhouden. Het memento mori en de vervreemding betreffen in De doodstrompet daarom ook de samenleving en de natuur:

Soms willen we gewoon naast elkaar op de aarde liggen.
Soms willen we enkel voelen hoe we uit atomen bestaan.
Mijn handen zijn die van een vreemde.

Wie ziet de zwarte zwaan vliegen?
Wie zijn het die vergeten
werden, hun sporen in kantoren
achterlieten waarvan wij hier
tussen de glasscherven en de stalen balken
resten oprapen, van de documenten
poppen maken van papier?

Zo licht als ze nu zijn, zo breekbaar, gestold.

De zwarte zwaan kan in de economie verwijzen naar onverwachte gebeurtenissen, maar ook naar de falsificatie van Karl Popper. Vind één dode die weer tot leven komt, en je hebt bewezen dat de dood, voor even althans, overwonnen kan worden. Of vind één levende in wie de dood nog schuilt…

Ook de natuur kan door de mens weer tot leven komen. Wie zelf wel eens gewandeld heeft in de Marker Wadden zal in ‘Onze gezichten’ het cluster van vijf nieuwe eilanden herkennen, die in het Markermeer zijn aangelegd. Het is een prachtige schepping:

‘We tellen de nachtvlinders,
roepen de zon op, zingen de getijden.

Het scheppingsverhaal, zeg je,
is door mensen geschreven.’

De gelaagdheid van Demets poëzie is veelvoudig. De mens, de ander, de levende, de dode, individu, samenleving, droom, werkelijkheid, hemel en aarde – Demets drapeert ze als transparante lagen over elkaar heen, waardoor je de een ziet doorschemeren door de ander. En een doodstrompet, zoek maar op, is behalve een doodstrompet, óók een doodstrompet. Zou dat de docent zijn die in Demets schuilt? Zijn bundels zijn stuk voor stuk uitnodigingen om op zoek te gaan naar verwijzingen, betekenissen, kunst, wetenschap, film en altijd vind je een hele wereld achter een woord.

Bovenal is Demets is een taalkunstenaar. De vijf delen van de bundel heeft hij vervreemdende medische termen gegeven die nieuwsgierigheid oproepen, maar ook een lichte huivering: auscultatie, extirpatie, hypoxie, palpatie en remissie. Achter de termen huist een wereld aan associaties, waardoor de bundel voor iedere lezer een unieke verzameling zal zijn.

En als je de tijd en rust neemt om de gedichten hardop te lezen (dat kan vreemd genoeg ook in je hoofd!), dan hóór je gewoon aan het einde van enkele gedichten hoe de dood maar een paar stappen achter je loopt, door een klassiek volrijm dat het binnenste van de regel met het buitenste verbindt, als een echo in de slotzin. Ik citeer hieronder het einde van twee gedichten, met daartussen een liggend streepje, om de analogie te laten zien. In het laatste gedicht zijn er zelfs twee echo’s te vinden. Het is geen toeval, er zijn er nog meer in de bundel! De mens, de samenleving en de wereld dansen in De doodstrompet samen hun macabere dans:

We zakken in een kuil, knieën naar binnen,
hand voor de mond. Het laatste koekje
is het koekje van eigen deeg.

Ze lachen en kijken uitdagend rond.

Waar kijken ze naar als ze kijken
naar de kuil in de tuin. Wat is het
waar hun blik zich op richt. Het kind
dat koude grond vindt, vervangt de dode.

Het is geen gezicht.

Dietske Geerlings

Paul Demets – De doodstrompet. De Bezige Bij, Amsterdam. 64 blz. € 22,99.