Recensie: Peter Verhelst – Nachtatlas
‘als was het voor de laatste keer en dan’
Misschien zijn wij als eenvoudige aardbewoners wel allemaal dragers van het hemelgewelf. Je denkt dat het niets weegt, maar je bent eraan gewend. Vanaf je geboorte weet je niet beter. In de nacht dragen wij het duistere firmament, maar dan met sterren en een beetje geluk de maan. De een draagt het als licht en luchtig, de ander gaat eronder gebukt. Daar dacht ik aan bij de titel van Nachtatlas van Peter Verhelst. Soms hoef je een bundel nog niet eens te openen, om te beginnen met lezen. Het is net of sterren de letters op de donkere voorkant verlichten. Hebben wij een atlas nodig om de weg te vinden in de nacht?
Motto’s kun je zien als de stuwende kracht van een literair werk. Daarom blijf ik vaak dralen op de drempel van veel boeken. De schrijver ademt daar het gedachtegoed van andere schrijvers of denkers. In Nachtatlas staan er maar liefst drie. Eerst is daar ‘My love she speaks like silence’ van Bob Dylan, dan volgt ‘Si on ouvrait les gens, on trouverait des paysages’ van Agnès Varda, daarna ‘(…) against the dying of the light.’ van Dylan Thomas. Voordat de dichter zichzelf uitspreekt, voert hij het onuitgesprokene van anderen op. Het heeft iets onzinnigs om daarover hier dan nog wat te schrijven: de dichter zegt dat de andere dichter zegt dat…
Toch draag je de drie motto’s mee als je uiteindelijk in Verhelsts poëzie belandt. Hij begint in ‘LS’ met:
Ik had je willen vragen om één keer,
als was het voor de laatste keer en danvoor eeuwig niets
als zouden wij nooit meer dan nu, nooit eerderheeft er iemand iemand zo gewild,
heeft iemand zo verlangd als was hetvoor de eerste keer, net voor het niets begint
had ik je één keer willen vragen.
Zelfs als je alleen de tekst leest en de witregels buiten beschouwing laat, is de stilte alomtegenwoordig. De essentie waaromheen de woorden draaien, blijft onuitgesproken. In deze ‘opening’ laat Verhelst de lezer een stap zetten in zijn ‘landschap’ en schrijft tegen het doven van het licht.
Hoe kan hij zo het leven vatten, het alles en niets ineen? En dan niet eens alleen het leven en de dood, maar ook het mens-zijn hiertussen, als één lange vraag, nee alleen nog maar het onophoudelijke verlangen naar die vraag. We weten namelijk niets, helemaal niets.
Na deze opening kun je net zo goed stoppen met lezen. Je hebt genoeg om de nacht door te komen. Voor mij was vroeger één zo’n mooi raadsel genoeg om een hele bundel over te typen (ik had nog geen weet van copyrights). De rest drong dan nog niet eens tot mij door. Een leven lang kun je ermee doen.
Maar er is meer, veel meer. Zoals het tweede gedicht, dat alleen nog maar begint met ‘Met je vleermuisstilte van een zomernacht / je zilveren oogleden en je wildzijden-jurk-en-sigarettenrook-stilte / verlaten-wereld-stilte’. Iemand vertelde mij laatst dat het Engels een zoveel grotere woordenschat heeft dan het Nederlands en dat je je daarom zoveel genuanceerder in het Engels zou kunnen uitdrukken. Ik kan mij door zulke feitenkennis voor even de mond laten snoeren, terwijl ik vanaf het eerste moment eigenlijk al weet wat voor een ‘stierenschijt’ het is – om hier dan toch maar koppig het Nederlandse woord voor te gebruiken. Lees bijvoorbeeld deze bundel van Verhelst om het tegendeel bewezen te zien. En dat komt doordat een taal niet door haar woordenschat wordt beperkt.
In het eerste deel van de bundel komt steeds tussen de mooiste dichtregels door ‘zeg ja’ terug, zoals hier: ‘Kom niet terug / maar leg je hand op mijn borst, blijf door te zwijgen, verdwijn en / zeg door te verdwijnen: ja.’ Het zijn twee woorden, maar op iedere plek betekenen ze iets anders en door de herhaling nog meer. Net als de motto’s die je nog steeds met je meedraagt, is ook dit ‘zeg ja’ een stuwende kracht, alsof Verhelst de levenswil in deze twee woorden heeft gevat, die zelfs de dood overwinnen, want zelfs in het verdwijnen klinkt nog dat ‘ja’.
Net als de twee Marsmans, Hendrik én Lieke, neemt Verhelst in zijn poëzie de hele kosmos mee:
[…] hoe noemen we
wat ons lichaam aan het worden is, zwerm die uiteenvalt
in moleculen en moleculen in atomen en atomen in kern en elektronenen kern in een sterrenhemel van protonen en neutronen. Verdriet uiteenvallend
in herinneringen en herinnering in reepjes betekenis – hoor je zijn stem?
De geur van een voorbijganger maar er is geen voorbijganger. Hoor je hem nog?
Je neemt de telefoon en drukt op een naam en er klinkt muziek opuit de diepte van het heelal. Geen naam
Geen gemis. Geen atoom gaat verloren.
In ‘Doodsstrijd’ van Hendrik Marsman ligt de ik ‘zwaar en verminkt in een hoek van den nacht’. In ‘Oneindigheid van tijd en ruimte’ van Lieke Marsman is verdwijnen onmogelijk:
‘zolang het niets geen grenzen kent: / in wat alles omvat geen plek voor residu.’ Ik zou Verhelsts poëzie ook wel ‘groots en meeslepend’ willen noemen.
Er zitten, net als in zijn 2050 ook wat apocalyptische elementen in de bundel. Zo vind je in de tweede afdeling de raadselachtige ‘ze’, die met doeken over hun hoofd op de rand staan: ‘En ze denken: tot aan de lippen staan we in het water / en we. Alleen nog met doek omspannen hoofden zijn te zien.’ Het gedicht eindigt met: ‘Ze staan op de bodem en ze.’
Dat afkappen van de zin geeft de erosie weer van ons menselijk bestaan: al die kwetsuren die we gedurende ons leven oplopen, waardoor we langzaam afbrokkelen, niet alleen als individu, maar als hele mensheid, terwijl er onophoudelijk de dreiging is dat het zomaar ineens kan zijn afgelopen. Dwars door die wanhoop heen schudt Verhelst ons met zijn meeslepende taal door elkaar: ‘zal ik wachten tot ook jij en de zee en de nacht zal ik altijd zal ik.’
Dietske Geerlings
Peter Verhelst – Nachtatlas. De Bezige Bij, Amsterdam. 80 blz. € 21,99.
