Column: Eric de Rooij – Dineren bij Van der Werff
Dineren bij Van der Werff
Op de boot naar Schiermonnikoog zit ik naast een vrouw in een Teamsvergadering. Oortjes in, vier ernstige gezichten op schoot. Haar eigen camera staat op zwart. Met haar linkerhand zet ze op en af een verrekijker tegen haar ogen om de rode en witte vuurtoren die ik van ver zie, dichterbij te halen. Pas als we aanmeren verontschuldigt ze zich bij haar Teamsgenoten voor haar afwezige aanwezigheid.
Ik had toen we die ochtend uit Amsterdam vertrokken juist besloten om het multitasken achter me te laten. Niet om de haverklap die telefoon erbij pakken voor een berichtje zus lezen, een appje zo beantwoorden. Me concentreren op een ding. Of mijn omgeving. Of een boek. Ik was geïnspireerd geraakt door Byung-Chul Han en had in de afgelopen weken enkele van zijn kleine boekjes gelezen. In De Groene Amsterdammer van vorig jaar bekritiseerde hij de huidige samenleving, die hij narcistisch noemt, en pleitte hij voor meer luiheid. Hij constateerde een verval van de aandacht, ook door social media, met grote gevolgen voor sociale relaties.
In zijn boekje over Simone Weil: ‘Zowel de empathie als het respect berusten op de aandacht voor de ander. Als de aandacht voor de ander afneemt, verruwt de samenleving.’
Zijn pleidooi verontrust me. Er is dat fijne gevoel van herkenning. Hoe aandachtiger ik ben hoe meer ik mezelf vergeet hoe gelukkiger. Maar ik voel ook ongemak, doordat ik bij mezelf verval van concentratie ervaar. Dit jaar heb ik nog geen negentiende-eeuwse Rus gelezen – geen tijd, lees: teveel tijd kwijt aan scrollen, filmpjes en meningen. Dan het schrijven. Schrijven is toch een hoogmis voor concentratie. Het is pijnlijk te merken hoe gemakkelijk mijn aandacht telkens afdwaalt. Daarom neem ik me voor om tijdens ons korte verblijf op Schiermonnikoog het anders te doen. Minder telefoon. Schriftje mee. Meer in het moment. Dan helpt het dat het eiland zo vreedzaam is. Voordeuren staan open, weinig verkeer. Bij het huren van een fiets hoef je geen paspoort te laten zien. R. en ik volgen de roep van de ganzen en zoeken duinen en strand op. Ondertussen verheug ik me op het avondeten bij Van der Werff, op de aardappeltjes in de schil en in roomboter gebakken die ik een vorige keer zo heerlijk vond.
Wie je spreekt over Schiermonnikoog raad je aan om een keer bij Van der Werff te eten. De tafels zijn netjes gedekt, er brandt op elke tafel een kaars, er is een driegangmenu voor een schappelijke prijs. De bediening lijkt op het eerste gezicht tot in de puntjes gekleed. Tot je aandachtiger kijkt. Bij de een is het donkere pak net te groot, bij de ander te klein. Er zijn vlekken op revers en broekspijpen die er niet meer uitgaan. Klein verval, zoals er hier en daar ook een lik verf nodig is. Toch is het allemaal niet erg. Integendeel.
We zijn vroege eters, de meeste tafels zijn leeg. R. wil aan het ronde tafeltje in de hoek zitten met uitzicht op de gehele ruimte, ook op het enige andere gezelschap dat pontificaal in het midden al begonnen is aan het voorgerecht. Nee, denk ik en kijk recht in het gezicht van de schrijver die ik in mijn inleiding bij Uit tallozen, jij heb bejubeld. Ik verschuif mijn stoel, maar zit nog steeds in zijn blikveld. Aandachtig voert hij gesprekken met zijn vrouw en kinderen. Een familyman, totale toewijding. Zonder oog voor zijn omgeving. Zo hoort het, denk ik en voel in mijn broekzak appjes binnenkomen. Veel plezier op Schiermonnikoog.
‘Anders geef je hem even een hand,’ stelt R. voor. Maar ik vind het een ongepast voorstel. ‘En dan?’ zeg ik, net iets te agressief. ‘Niets. Hij weet toch dat je van zijn boeken houdt? Dat is altijd fijn om te horen.’ Ik hoor mezelf al een van zijn boeken noemen terwijl ik van de zenuwen de titel verhaspel. Zo vroeg ik in de jaren negentig bij een signeersessie van Hans Warren in De Bijenkorf of ik hem een hand mocht geven. Dat mocht. Hij stond op, deed zijn das recht, stak zijn hand uit. Die schudde ik, maar ik wist niets te zeggen, behalve dan dat ik ‘wat oud spul’ van hem had meengenomen om te laten signeren. Dat ‘oud spul’ achtervolgt mij nog steeds. Niet doen, ook dat is, als ik de oproep van Han volg, aandacht voor de ander.
Op de eerste avond bij Van der Werff geen aardappeltjes, wel friet. Ook op de drie daarop volgende avonden geen in roomboter gebakken aardappeltjes in de schil. De schrijver en zijn gezin heb ik niet meer gezien.
Eric de Rooij
