Bij de presentatie van De ballingschap van Stefan Zweig; Brieven, dagboekaantekeningen en lezingen gekozen en ingeleid door Stefan van der Poel (en vertaald door Bart van Kreel) droeg Douwe Draaisma een reflectie bij over de dood van Zweig en afscheidsbrieven. Hieronder staat de licht bewerkte versie van die toespraak.

Stefan Zweig herinnerd: voor en na 22 februari 1942

Het einde van Stefan Zweig was, zoals vaak is gezegd, misschien wel wat lichtzinnig, zelfverkozen. En het was een dubbel einde, want zijn secretaresse en sinds 1939 tweede vrouw, Lotte Altmann, volgde hem in de dood. Zweig was 60 jaar, Altmann nog maar 33. Ze werden gevonden op 23 februari 1942. Er is een politiefoto. Ze liggen naast elkaar op bed: hij in overhemd en met stropdas, zij in een kimono. Het vermoeden is dat ze hem ook letterlijk heeft gevólgd: Zweig ging eerst, daarna nam Altmann slaapmiddelen in en legde haar hand op de zijne.

De dag ervoor hadden ze elk afscheidsbrieven geschreven en op de bus gedaan. In een notitie die in de kamer werd gevonden dankte Zweig onder meer Brazilië voor de gastvrijheid die hem was geboden – hij woonde toen met Altmann in Petrópolis – en zijn vrienden wenste hij toe dat ze na een lange nacht – het was midden in de tweede wereldoorlog – het ochtendrood nog mochten zien.

Dát er brieven waren is niet zo vanzelfsprekend als het lijkt.

In de hoop meer te weten te komen over de motieven van mensen die zich van het leven beroven hebben psychologen en psychiaters al sinds zo’n anderhalve eeuw collecties van afscheidsbrieven aangelegd, onder de verzamelnaam suicide notes. Sommige onderzoekers hebben zich erin gespecialiseerd en analyses gepubliceerd. Over afscheidsbriefjes is een uitvoerige statistiek verzameld. Die wijst uit dat de meeste onder grote tijdsdruk worden geschreven. Het besluit kan al dagen of weken geleden genomen zijn, een begin maken met de uitvoering gebeurt vaak in een sfeer van plotselinge haast en afscheidsbriefjes vertonen daarvan de sporen. Het zijn werkelijk notities van het allerlaatste moment, jachtig geschreven, vaak verward, op papier dat toevallig bij de hand was, de achterkant van een envelop, een velletje uit de agenda.

De statistiek van afscheidsbriefjes is er een van een curieus gebrek aan verschil. Vrouwen laten even vaak een briefje na als mannen. Ouderen even vaak als jongeren, gehuwden even vaak als alleenstaanden. Er is geen relatie met sociaaleconomische klasse of etnische achtergrond en evenmin met factoren als eerdere suïcidepogingen of psychiatrische problematiek. Ouders schrijven even vaak aan hun kinderen als kinderen aan hun ouders. Maar dat ‘even vaak’ is misleidend, want de grootste verrassing, voor wie voor het eerst de cijfers ziet, is deze: hooguit één op de vier, vijf mensen laat een afscheidsbriefje achter. Zelfs dit cijfer is nog een overschatting: als bij een dodelijk incident, zoals een verdrinking, een wapen dat is afgegaan, een overdosis of een eenzijdig ongeval, geen afscheidsbriefje wordt gevonden is de kans groot dat het niet als een suïcide geregistreerd wordt. En van het geringe aantal brieven en briefjes dat wél wordt geschreven is een deel dan nog ongeadresseerd of aan niemand in het bijzonder gericht, zoals de toevallige vinder of de politie. Slechts iets meer dan de helft van de afscheidsbriefjes is gericht aan een nabij iemand, zoals de echtgenoot, ouders, kinderen, broer of zus. Al met al dus een kwart en daarvan de helft. Je zou wensen dat dit ene feit een ruimere bekendheid zou hebben: naast iedere achterblijver met een persoonlijk aan hem of haar gericht afscheidsbriefje staan zeven, acht mensen zonder een laatste bericht.

Voor die deprimerende afwezigheid van een laatste bericht aan gezin, familie of vrienden zijn allerlei redenen. Mensen die hun zelfmoordpoging hebben overleefd vertellen over de vernauwing in denken en handelen, over de haast, het verlangen het achter de rug te hebben, er door geen enkele overweging of activiteit op het laatste moment van afgehouden willen worden. Het is een vernauwing die op dat moment misschien wel noodzakelijk is, opzettelijk intact wordt gehouden en niet meer de afleiding van het schrijven van een briefje verdraagt.

Maar een deel van de verklaring zou ook kunnen zijn: het besef niet de woorden te kunnen vinden. Bedenk: zelfs al zou iemand die een einde aan zijn leven maakt de hoop koesteren om voort te leven in goede herinneringen van zijn dierbaren, hoe zou hij dan de woorden moeten vinden om te vragen niet vergeten te worden als hij had kunnen blijven? Hoe te schrijven over hoe je het liefst herinnerd wilt worden als je tegelijk weet dat je je dierbaren zult belasten met de herinnering aan wat je op het punt staat te doen? Hoe de woorden te vinden om dierbaren te troosten als je zelf de reden bent voor hun verdriet? Misschien moeten we in de afwezigheid van een afscheidsbriefje niet alleen een maat voor de wanhoop en vertwijfeling zien, maar ook voor het besef dat je aan je dierbaren niet kunt schrijven wat zich niet uit laat drukken. Het afwezige afscheidsbriefje is een teken dat zich iets in alle oprechtheid niet schrijven láát.

Stefan Zweig vond die woorden wel. Net als hij eerder al deed in brieven aan vrienden, in zijn dagboek en in een laatste brief aan zijn eerste vrouw Friderike liet hij weten dat zijn krachten het begaven, dat hij nu als zestiger niet meer het vermogen had opnieuw een bestaan op te bouwen, dat het zwerven in ballingschap hem had uitgeput. Wat hij niet noemde in zijn afscheidsbrieven, maar wel in brieven aan een paar van zijn intiemste vrienden, was nog een andere beweegreden: de telkens terugkerende depressies die hij voor het grootste deel van zijn omvangrijke kring van kennissen, vrienden en collega-schrijvers verborgen hield.

Vrijwel iedere suïcide is in het leven van de achterblijvers een moment van verbijstering en crisis. Een inslag. Een krater. Dat was in het geval van Zweig niet anders. Was zijn dood te voorzien geweest? Wat dreef hem? Waren de motieven die hij in zijn afscheidsbrieven noemde ook de werkelijke motieven? De enige? Er is haast geen gebeurtenis te bedenken die je zó in een radicaal andere realiteit laat voortleven dan je tevoren voor je zag dan de suïcide van een nabij iemand. Er is een regel uit De vrolijke wetenschap van Nietzsche die bijna voor deze situatie lijkt geschreven. Die luidt: ‘Vóór het gevolg gelooft men aan andere oorzaken dan erna.’

Hier: het gevolg, de suïcide, laat je anders denken over wat eraan voorafging. Maar wat dácht men dan dat eraan voorafging?

De Duitse en Duitstalige gemeenschap in ballingschap kende al de nodige verliezen door eigen hand. In 1933 beroofde toneelschrijver Max Alsberg zich in een Zwitsers sanatorium met een vuurwapen van het leven. Schrijver-journalist Kurt Tucholsky bediende zich in 1935 te Göteborg van een overdosis slaapmiddelen. Toneelschrijver Ernst Toller verhing zich in 1939 tijdens een Amerikaanse tournee. Maar niemand had, aanvankelijk dan, het gevoel dat je de suïcide van Zweig kon zien aankomen. Integendeel, het bericht van zijn zelfdoding werd met verbijstering ontvangen. Hij? Zweig was materieel goed af, werd door iedereen gerespecteerd. Hij had twee dagen voor zijn dood zijn Schachnovelle naar de uitgever gestuurd. Het manuscript van zijn autobiografie Die Welt von Gestern was gereed. Hij was ook als zestiger nog een productief schrijver. Voor de buitenwereld bleef zijn zelfdoding een raadsel.

Thomas Mann las er de volgende dag over in de krant. In de beslotenheid van zijn dagboek oordeelde hij zonder enige consideratie, hij vond de suïcide ‘dwaas, slap en smadelijk’. Het grensde aan desertie. Aan zijn dochter Erika schreef hij ‘Van verdriet kan hij zich niet gedood hebben, ook niet van ellende.’ De speculaties van Thomas Mann over het werkelijke motief waren kil: ‘Er moet wel het schone geslacht achter zitten, een of ander schandaal gedreigd hebben.’

Zijn oudste zoon Klaus, zelf ook een gevierd schrijver, voelde zich net zo overvallen door het bericht. In dagboekaantekeningen, later verwerkt in zijn autobiografie Het keerpunt, schrijft hij, iets verkort:

Bij Toller was je op zoiets voorbereid, maar toch niet bij hem, die zo levenslustig, ja zo’n levensgenieter, zo verwend door het geluk, zo evenwichtig, zo verstandig leek! Hij had roem, geld, zeer veel vrienden, een jonge vrouw – en gooit nu alles weg… Waarom? In zijn afscheidsbrief is sprake van de oorlog. De oorlog, de triomf van het barbarendom. Is dit zijn wereld nog wel? Hij herkent haar niet meer. En hij grijpt naar het gif. Roem, geld en vrienden laat hij hier achter; maar de jonge vrouw neemt hij mee.’ En hij sluit af met: ‘Is het zo simpel? Ach, wat weten wij ervan?

Inderdaad, wat weten wij ervan?

Die vraag zou je je eigenlijk altijd moeten stellen.

Klaus leek zelf ook niet tevreden met alleen die verbijstering en de verwijten en zijn eigen speculaties over wat Zweig bewogen had. Hij begon de brieven te herlezen die hij de afgelopen jaren van hem had gekregen. En door dat herlezen werd iets zichtbaar dat ik als een dierbaar thema beschouw in mijn eigen gemijmer over het geheugen, te weten: het vermogen van herinneringen om van gedaante te veranderen als gevolg van latere gebeurtenissen.

Ik lees voor wat Klaus schrijft over het herlezen van Zweigs brieven van de laatste jaren, weer iets verkort.

Hier bedankt hij voor een boek, daar geeft hij kritiek, belooft een artikel, vertelt van een reis, een avond in het theater. Verder niet? Toch wel, soms is er een woord van bittere ironie of vermoeidheid, zijn er ingehouden zuchten of discrete klachten. Mij viel er niets in op. Ik begreep hem niet. Ik zag hem als de levensgenieter, de voor de wereld openstaande literaat die zich door niets van de wijs laat brengen. En hij was een vertwijfeld man!

Toen ik hem de laatste keer zag, hier in New York – dat is niet lang geleden, vijf of zes maanden, misschien zeven –, toen moet hij de vertwijfeling al nabij zijn geweest. Maar hij liet er niets van merken, hij gaf een cocktailparty. De party verliep heel opgewekt, er waren bijna alleen mensen die met de literatuur te maken hadden. Hij was immers zelf met hart en ziel een man van de literatuur, verslaafd en toegewijd aan de literatuur, ‘good old Stefan Zweig’!

Na de party heb ik hem nog maar één keer ontmoet, op straat. Hij kwam mij op Fifth Avenue tegemoet, hij zag mij aanvankelijk niet. Hij was ‘in gedachten verzonken’, zoals ze wel eens zeggen; het waren misschien geen zeer aangename gedachten. De zon scheen, een hemel lachte; dat gold niet voor Zweig, die er eerder somber uitzag. Omdat hij dacht dat niemand naar hem keek, stond hij zijn blik toe, star en somber te worden. Geen spoor meer van het vrolijke gezicht dat je anders van hem kende. Overigens was hij die ochtend ongeschoren, waardoor zijn gezicht eerst recht vervreemd en verwilderd leek. Ik keek hem aan, zijn kin met stoppels, de blikloze donkere ogen, en dacht bij mijzelf: wat is er met hem aan de hand? Toen ging ik op hem af: ‘Waar gaat dat heen? En waarom zo’n haast?’ Hij kromp ineen als een slaapwandelaar die zijn naam hoort. Een seconde later had hij zichzelf weer in de hand en kon hij weer lachen, babbelen, grappen maken, vriendelijk en vrolijk als altijd: de man van de wereld, de welgemanierde en elegante, wat te gladde, wat te beminnelijke homme de lettres met zijn Weense nasale stem.

Maar het wildvreemde baardgezicht dat hij mij eerst had laten zien, had mij toch te denken moeten geven. Ik dacht: ach wat? En hij was een vertwijfeld man…

Tot zover Klaus.

In de brieven bleek nu van alles te staan wat hij eerder niet had opgemerkt. Het waren andere brieven geworden. De zelfmoord belichtte nu andere passages. Het was er al in te lezen – als je maar beter had opgelet. En ook de herinnering aan zijn laatste ontmoeting met Zweig was van gedaante veranderd: hij realiseerde zich nu, achteraf, dat hij toen al een glimp had kunnen opvangen van de duisternis die Zweig zo angstvallig verborgen probeerde te houden.

Zijn zulke herinneringen onbetrouwbaar? Dat is de kwestie niet. Ze demonstreren dat zich gebeurtenissen kunnen voordoen waardoor het verleden weer even vloeibaar wordt en herinneringen daarna in een andere vorm weer opgeslagen worden. ‘Vóór het gevolg gelooft men aan andere oorzaken dan erna.’ De herinneringen van Klaus Mann aan Zweig bewijzen het.

Tot slot. Anders dan Mann veronderstelde, stierven Stefan Zweig en zijn Lotte niet door gif, maar door een overdosis slaapmiddelen. Zeven jaar later, in mei 1949, zou Klaus Mann hetzelfde middel benutten om zich van het leven te beroven. Na eerdere mislukte pogingen en een vrijwel levenslange verslaving aan opiaten kwam díé suïcide niet uit de lucht vallen. Een recente biograaf, Frederic Spotts, heeft gesuggereerd dat de overdosis een ongeluk was, geen zelfdoding, er was immers geen afscheidsbriefje gevonden. We weten nu dat dit een hachelijk argument is. Net als Zweig zal Klaus Mann hebben geweten wat hij deed.

Douwe Draaisma

Stefan Zweig – De ballingschap van Stefan Zweig; Brieven, dagboekaantekeningen en lezingen. Keuze en inleiding: Stefan van der Poel, uit het Duits en het Engels vertaald door Bart van Kreel. IJzer, Utrecht. 254 blz. € 24,50.