(Deel 1 van dit essay kun je hier lezen)

Het tribunaal van de wereld

Terwijl men in de rest van Europa kritisch toekeek, verliep het gerechtelijk vooronderzoek van het proces tegen Van der Lubbe, Torgler en de drie Bulgaren in een traag tempo. Maar de onderzoeksrechter van dienst, de nazi Paul Vogt, was een man die er geen bezwaar in zag onbewezen beschuldigingen alvast publiek te maken. Daarmee handelde hij min of meer in de geest van politiebaas Göring die (inderdaad) Van der Lubbe het liefst zonder proces in het openbaar had opgehangen. Al snel ontstond er een meningsverschil tussen Göring en Goebbels’ propagandaministerie. Goebbels zag het liefst dat zoveel mogelijk mensen die al in eerdere zaken tegen de communisten hadden getuigd tijdens het komende proces opnieuw gehoord werden, met als voornaamste doel dat een zich maandenlang voortslepende rechtszaak de belangstelling in het buitenland zou afzwakken en in slaap sussen. Terwijl Göring – als er dan een proces moest komen – aandrong op een snelle en krachtige gang van zaken, die onder ‘deskundige leiding’ indruk op de hele wereld moest maken. Ongekend natuurlijk, dat Duitse politici zich op deze wijze met de procesgang bemoeiden.[1]

Voor het construeren van de akte van beschuldiging (het gedetailleerde document dat de basis vormt van een strafzaak) nam men zoveel tijd, dat Goebbels had kunnen hopen dat de belangstelling voor het proces zelfs al op voorhand uitdoofde. Maar het had voor de nazi’s een averechts effect, want in het buitenland werd de extra tijd die zo ontstond uitstekend benut.

Vrij snel na de brand, namelijk in april 1933, had het Hulpcomité voor de Slachtoffers van het Hitler-fascisme een enquêtecommissie in het leven geroepen van prominente juristen afkomstig uit Engeland, Amerika, Frankrijk, Zweden, Nederland, Denemarken, België, Zwitserland en Italië. Tot het eind van de zomer werden ruim honderd getuigen gehoord en hun verklaringen moesten, samen met het materiaal dat uit Duitsland was gesmokkeld, de basis vormen voor een publicitair ‘tegenproces’ dat in Londen zou worden gehouden. Het doel hiervan was uiteraard het de nazi’s onmogelijk te maken de zogenaamde verdachten geruisloos te veroordelen. Al in de onderzoeksfase publiceerde de commissie een bulletin dat een beeld gaf van haar bevindingen.[2] Dankzij de stroperige gang van zaken in Duitsland kon het Londense proces een week eerder plaatsvinden dan het naziproces in Leipzig, namelijk van 14 tot 18 september.

In de aanloop naar het Londense proces – dat dus geen werkelijk proces was – bleef Romain Rolland zich intensief met de zaak bemoeien: om het leven van de verdachten te redden en om de misdadigheid van het nieuwe regime te beklemtonen. Namens een internationaal antifascistisch comité, waarvan hij voorzitter was, stuurde hij op 18 juni een protestbrief aan de Duitse ambassade in Parijs, waarin hij meldde over informatie te beschikken die duidelijk maakte dat de gearresteerde Bulgaren onschuldig zijn. De brief werd doorgestuurd naar Karl August Werner, Hoofdofficier van Justitie aan het Rijksgerechtshof te Leipzig, en diens schijnheilige antwoord (geschreven op 10 augustus) werd in tal van kranten in heel Europa afgedrukt: ‘Aangezien de Duitse justitie er het grootste belang bij heeft in het bezit te komen van bewijzen, die voor het vaststellen der onschuld van de beklaagden gebruikt zouden kunnen worden, zou ik u ten zeerste dankbaar zijn indien u mij het in uw bezit zijnde materiaal, ten gebruike bij het aanhangige proces, zo spoedig mogelijk zou willen doen toekomen.’[3]

In Salzburg pakte Stefan Zweig op 20 augustus, na het lezen van de krant, de pen op om Rolland te schrijven en moed in te spreken.

Ik geloof graag dat ze het materiaal willen zien, om het te vervalsen, want dit hele proces zal ongetwijfeld uitdraaien op een schandelijk staaltje vals spel, met afgedwongen getuigenverklaringen – maar het zal ze niet lukken, de hele wereld kent de waarheid en zelfs in Duitsland bestrijdt niemand wie de ware brandstichters van de Rijksdag waren.[4]

We moeten het voor hen niet gemakkelijker maken om hun ingewikkelde leugens te construeren, voegde hij er nog aan toe. Dat was Rolland ook zeker niet van plan. In samenspraak met de enquêtecommissie, in het bijzonder met de Zweedse jurist Georg Branting, stelde hij een antwoordbrief op waarin hij toezegde dat de commissie de documenten naar Leipzig zou sturen, ‘zodra principiële garantie is verleend voor een vrije, onafhankelijke verdediging, alsmede voor openbaarheid der behandeling’. Gelijktijdig formuleerde Branting negen voorwaarden waaraan voldaan moest worden. Met deze punten gaf hij in fotonegatief precies aan waarom de commissie geen enkel vertrouwen had in dit proces. Om een aantal van Brantings eisen te noemen: vrije keuze van verdedigers door de beschuldigden; onbeperkte inzage van de dossiers door de verdedigers; menswaardige behandeling van de beschuldigden; veiligheid en vrijheid van spreken van de getuigen die door de verdediging worden opgeroepen; veiligheid voor de verdedigers. Rond 22 augustus lieten Rolland en Branting hun reactie op Werner overal publiceren, waarmee ze de druk op de nazi’s opvoerden.[5]

Georgi Dimitrov

Begin september kreeg Rolland tot zijn verbazing vanuit de Berlijnse gevangenis Moabit een brief van Dimitrov. Evenals Popov en Tanev verbleef hij begin 1933 illegaal in Berlijn, waarna ze waren vastgezet op basis van de verklaring van een kelner, die beweerde dat hij hen met Van der Lubbe in restaurant Bayernhof had gezien. Van dit drietal genoot alleen Dimitrov politieke bekendheid: hij had aan het hoofd gestaan van het in Berlijn gevestigde West-Europese Uitvoerend Comité van de Communistische Internationale.[6] Hij zou zich tijdens het komende proces in Leipzig als een leeuw verweren. Na Rolland bedankt te hebben voor zijn ‘standvastige houding bij de verdediging van mijn onschuld,’ moet Dimitrov melden dat de door hem ingeschakelde Bulgaarse en Franse advocaten door het Rijksgerechtshof zijn afgewezen, onder het voorwendsel dat zij de Duitse taal niet genoeg machtig waren. Hem is nu de advocaat Paul Teichert uit Leipzig toegewezen en hij heeft deze gevraagd zich met Rolland in verbinding te stellen. Ondanks alles houdt hij moed:

Aangezien ik absoluut niets met de Rijksdagbrandstichting te maken heb gehad, zie ik het proces vol kalmte en vertrouwen tegemoet; de uitkomst zal – gezien de feiten – naar verwachting leiden tot mijn vrijlating.
De houding tegenover mij is over het algemeen menselijk, afgezien van de strikte eenzame opsluiting en de handboeien die mij vijf maanden lang (sinds 4 april van dit jaar) dag en nacht hebben gekweld, en die inmiddels op last van het Rijksgerechtshof zijn verwijderd.[7]

Rolland was zeker blij met de brief, maar het was hem duidelijk, zo schreef hij in zijn dagboek, dat de nazi’s met het doorlaten van deze brief wilden laten zien dat de gevangenen bepaalde vrijheden genoten en bovendien een eerlijk proces verwachtten, in de hoop hiermee de negatieve opinie in het buitenland af te zwakken. Een van die vrijheden was dat het Dimitrov werd toegestaan tijdens zijn gevangenschap studie te maken van het Duitse Wetboek van Strafrecht en hij koos er tenslotte voor om zonder advocaat zijn verdediging te voeren.[8]

Is fecit cui prodest,’ tekende Rolland na ontvangst van Dimitrovs brief aan: hij die er baat bij heeft, heeft het gedaan. Verder wijst hij op de documenten die in het Bruinboek zijn gepubliceerd. Zo maakt een hierin afgedrukte plattegrond van de Rijksdag duidelijk dat het gebouw door een ondergrondse gang is verbonden met de ernaast gelegen ambtswoning van de minister van Binnenlandse Zaken Hermann Göring, hetgeen een aannemelijker scenario denkbaar maakt dan dat van communisten die grote hoeveelheden brandstoffen langs de portier van de Rijksdag (of door de ramen) naar binnen hebben gesmokkeld. ‘De minister van Binnenlandse Zaken is dan ook niet in de positie om beschuldigingen te uiten, zolang hij zich niet heeft gezuiverd van de beschuldiging die hemzelf boven het hoofd hangt. Maar tot op heden is er geen teken dat hij ooit heeft gereageerd op de concrete aantijgingen die in de grote pers van alle landen tegen hem zijn geuit. Het tegenproces in Londen daagt Göring – en met hem de andere medeplichtigen in de regering – voor het tribunaal van de wereld,’ zo besluit hij zijn notitie.[9]

De vergaderzaal van de Britse Law Society, waar voorzitter Denis Nowell Pritt op 14 september 1933 om tien uur ’s ochtends het Londense tegenproces opende, was met zijn tachtig zitplaatsen duidelijk te klein. Doordat er zich veel meer mensen naar binnen hadden gewerkt kreeg de zitting een wat rommelig karakter, maar het feit dat zoveel uit binnen- en buitenland toegestroomde journalisten stijf opeengepakt stonden te luisteren, zorgde in elk geval voor een enerverende ambiance. De (anonieme) buitenlandcorrespondent van Het Vaderland vond het juist wel goed dat de zitting niet al te vormelijk was: zo kon men de tolken her en der helpen met luid geroepen verbeteringen.[10] Zijn afgewogen verslagen, die hij iedere avond telefonisch aan de krant doorgaf, bieden een goed uitgangspunt om het tegenproces van nabij te volgen.

Overigens was ook de nationaalsocialistische advocaat van de verdachten van de brand – van wie uiteraard betwijfeld mocht worden of hij de mannen effectief zou verdedigen – naar Londen gevlogen om als toehoorder aanwezig te zijn. ‘Een merkwaardige behoefte aan informatie,’ noteerde Thomas Mann ironisch in zijn dagboek.[11]

Als aanvulling op het materiaal dat in de onderzoeksfase vergaard was, wilde de commissie in Londen nog vijftien getuigen horen, van wie de gevluchte Berlijnse oud-politiechef Albert Grzesinski de spits af beet. Deze sociaaldemocraat bepaalde zich, aldus Het Vaderland, tot mededelingen over de communicatie van de Rijksoverheid. Hij geloofde niet dat het in een belangrijke zaak als die van de Rijksdagbrand mogelijk was dat er verklaringen zouden uitgaan zonder de controle van Göring. Volgens Grzesinski drukten de Duitse kranten de officiële berichten vervolgens vrijwel altijd letterlijk af.

De andere getuige die deze eerste dag in Londen aan het woord kwam was Paul Hertz, die als afgevaardigde van de sociaaldemocraten jarenlang lid van de Rijksdag was geweest. Hij werd uitvoerig gehoord, omdat hij het Rijksdaggebouw en hoe het daar toe ging in detail kon beschrijven: zo wees hij de commissie op de verscherpte voorschriften en de permanente politiebewaking, waardoor het haast onmogelijk was ongezien brandstoffen naar binnen te brengen – door de ramen had dat, gezien de gevelverlichting, al helemaal niet onopvallend gekund. Er was in de hele zaal van de Law Society waarschijnlijk ook niemand die dacht dat het wel zo gegaan was, maar het ging erom dat er vóór het begin van het proces in Leipzig zoveel mogelijk overtuigende gegevens bekend werden gemaakt.

Het verslag in Het Vaderland van deze eerste zittingsdag eindigde met het bericht dat het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken, in antwoord op kritische vragen van de Duitse regering, de verzekering heeft gegeven dat het tegenproces geen officieel karakter droeg en dat de regering geen enkel middel had om een ‘volkomen particuliere bijeenkomst ter bespreking van een of andere kwestie’ te verbieden.[12] Dat is diplomatiek en zeker ook waar, en het is tegelijkertijd een wat kruiperig antwoord.

Op de tweede dag verscheen Rudolf Breitscheidt (een kopstuk van de Duitse socialisten) voor de commissie. Uit pragmatische overweging hadden de nazi’s de verdenking tegen de socialisten laten vallen, zodat ze hun terreur voluit op de communisten konden uitleven, en hij voelde het als zijn plicht de onschuld van Ernst Torgler aan te tonen. Breitscheidt, die in mei 1933 naar Parijs was uitgeweken, had vrijwel dagelijks overleg gevoerd met zijn communistische collega en kon verklaren dat deze een politicus pur sang was, die graag in de Rijksdag sprak en een afkeer had van terrorisme, zoals de brandstichting ook überhaupt niet in de door de zijn partij gevolgde lijn paste. Is fecit cui prodest, zoals Rolland schreef, een stelling die Breitscheidt van de andere kant benaderde, namelijk met een bewijs uit het ongerijmde. Stel nu, hield hij de commissie voor, dat de communisten het Rijksdaggebouw in brand hebben gestoken, dan zijn er twee mogelijkheden. Of hun betrokkenheid wordt ontdekt, waarmee ze Hitler en zijn oppermachtige SA een geweldig goede reden zouden geven om zich aan geweld te buiten te gaan. Of hun betrokkenheid wordt niet ontdekt en dan zou de brandstichting geen enkel nut hebben gehad.

Deze middag kwam ook de rol van Marinus van der Lubbe aan de orde, in verband waarmee de commissie op 4 en 5 september in Nederland onderzoek had gedaan. Dit is veruit het zwakste onderdeel van het tegenproces, want men kwam werkelijk niet verder dan insinuaties: Van der Lubbe was homoseksueel(!), hij had weliswaar een communistische achtergrond, maar verkeerde in anarchistische kringen en had gek genoeg ook sympathie voor het fascisme getoond. Zijn verwarde, ziekelijk eerzuchtige geest maakte hem makkelijk beïnvloedbaar en met dat al kon hij een ideaal werktuig voor de nazi’s zijn.[13] Deze gammele redenering, waarmee je nog duizend anderen verdacht kunt maken, wordt geheel gestuurd door het feit dat Van der Lubbe inderdaad door de nazi’s was misbruikt. Het is een smet op het hele tegenproces, maar eigenlijk ook het enige punt waarop men de plank volledig missloeg.

Op 17 september was het woord aan de communistische Kroaat Georg Vigic, die al sinds 1923 contact had met Dimitrov. Deze Vigic kon allerlei goeds over Dimitrov melden, bijvoorbeeld diens afkeer van ‘individuele terrorisatie’. Maar meer bewijskracht had zijn verklaring dat Dimitrov van 26 tot 27 februari voor een conferentie in München was, een verblijf dat hij nauwkeurig beschreef tot en met een bezoek aan de tandarts toe. Op 27 februari om acht uur ’s avonds was Dimitrov in een slaapwagon derde klasse teruggekeerd naar Berlijn, waar tijdens zijn reis de brand in de Rijksdag uitbrak.

Later op deze dag werd Ernst Toller – de enige schrijver onder de getuigen – door de commissie gehoord. Hij verbleef in Zwitserland toen de SA meteen na de brand zijn Berlijnse appartement binnenviel. ‘Tollers getuigenis had voornamelijk belang,’ aldus de correspondent van Het Vaderland, ‘door wat hij over de arrestatie van bekende schrijvers in de nacht van de brand vertelde.’ Ook vanuit het buitenland had hij zich, zo goed of kwaad als het ging, van het lot van andere linkse auteurs op de hoogte gesteld. ‘Uit de tegen dezen gerichte bevelen van inhechtenisneming blijkt duidelijk dat zij reeds van te voren vervaardigd geweest moeten zijn en de arrestaties dus reeds vóór de brand beraamd moeten zijn.’[14]

Voor de presentatie van de conclusies, op 20 september, was de enquêtecommissie uitgeweken naar de grote zaal van Caxton Hall. Het was geen verrassing dat men tot de slotsom was gekomen dat Van der Lubbe de brand niet in zijn eentje kon hebben gesticht en dat Torgler, Dimitrov, Tanev en Popov ‘noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks bij de volvoering van het misdrijf waarvan zij beschuldigd zijn betrokken [waren]’. Bij gebrek aan andere mogelijkheden noemde de commissie het ‘zeer waarschijnlijk’ dat de brandstichters gebruik hebben gemaakt van de onderaardse gang. Gezien ook het feit dat de brand de nazi’s aanzienlijk voordeel opleverde, bestaat er ‘ernstige grond voor de verdenking dat de Rijksdag in brand is gestoken door of op instigatie van leidende figuren der nat. soc. partij’. Deze en andere conclusies werden in het schriftelijke rapport uitvoerig onderbouwd. Maar aangezien het natuurlijk niet aan de commissie in Londen was om recht te spreken, bracht men hier ten slotte een ‘advies’ uit aan de rechtbank te Leipzig, waar het proces de volgende dag zou beginnen: ‘ieder in deze zaak bevoegd rechtsprekend organisme zou de verdenking van de regeringspersonen moeten onderzoeken’.[15] Terwijl men in Londen natuurlijk heel goed wist dat de Duitse rechtspraak al een half jaar lang door onbevoegden werd bepaald.

Bart Slijper

[1] Zie Bahar en Kugel, Der Reichstagsbrand, p. 330-334.

[2] Zie Dimitroff contra Goering. Bruinboek II, p. 31-39; Bahar en Kugel, Der Reichstagsbrand, p. 275-281.

[3] Geciteerd naar [Anoniem], ‘Het gerecht te Leipzig verwacht inlichtingen’, Het Vaderland, 16 augustus 1933.

[4] Rolland en Zweig, Briefwechsel, deel 2, p. 530.

[5] Zie bijvoorbeeld [Anoniem], ‘Materiaal beschikbaar, doch eerst waarborgen’, Het Volk, 22 augustus 1933.

[6] Zie Bahar en Kugel, Der Reichstagsbrand, p. 330-331.

[7] Bibliothèque nationale de France, Département des manuscrits, Fonds Romain Rolland, NAF 28400. Dimitrov schreef de brief, gedateerd 31 augustus 1933, in het Duits.

[8] Zie Bratanov en Bratanov, Romain Rolland et la Bulgarie, p. 84-85.

[9] Rolland, Quinze ans de combat, p. 210-211.

[10] Zie [Anoniem], ‘Het z.g. contraproces te Londen’, Het Vaderland, 15 september 1933.

[11] Thomas Mann, Tagebücher 1933-1934, p. 180.

[12] [Anoniem], ‘Het z.g. contraproces te Londen’, Het Vaderland, 15 september 1933.

[13] [Anoniem], ‘Wie was Van der Lubbe?’, Het Vaderland, 16 september 1933.

[14] [Anoniem], ‘De Londensche enquête inzake den brand in den Rijksdag’, Het Vaderland, 19 september 1933.

[15] [Anoniem], ‘De Londensche conclusies over den brand in den Rijksdag’, Het Vaderland, 21 september 1933.