Opstuivende kiezels

‘Vandaag gaat ze trouwen’ is de eerste zin van De zomer en het meisje, de debuutroman van Annabel Essink. Dat klinkt anno 2026 nogal retro, alsof Willeke Alberti opeens weer een tiener is. ‘Als ze haar omafiets loswrikt, rinkelt de bel. Feestklokken’. Een jonge schrijver in onze jaren doet zoiets ongetwijfeld niet zo maar. En dat blijkt, want tegenover dit gejubel van protagonist Jonne staat de koude mededeling van haar kersverse echtgenoot Luuk, dat hij bij nader inzien toch liever zijn leven deelt met Lucilla. Einde huwelijk.

Het is een straffe binnenkomer, waarbij Essink na de intro in de derde persoon verder eindtwintiger Jonne zelf aan het woord laat, die zich vanzelfsprekend talloze vragen stelt. Wat bezielde Luuk ertussenuit te knijpen zo kort na Jonnes miskraam en even later hun beider ja-woord, al kwam dat van hem dan wat aarzelend.

De zomer en het meisje springt voortdurend heen en weer tussen de volwassen Jonne en haar jonge tiener-ik, die op een Franse camping jaren geleden levensveranderende ervaringen had met ene Matthijs, die daar ook met zijn ouders kampeerde. Jonne komt uit een beschermd en wat conservatief aandoend milieu met inbrave ouders, die haar soms met ‘mijn hartje’ aanspreken. Voor een kind van de nieuwe eeuw komt Jonne wat kinderachtig en naïef over, zeker als leeftijdgenoten wat avontuurlijks willen gaan doen en zij maar het liefst weer op tijd naar haar paps en mams terug wil gaan. Want zo is het haar vast, natuurlijk met de beste bedoelingen, geleerd.

Het duurt nogal even voor Essinks verhaal wat meer gestroomlijnd wordt en er sprake is van enige spanningsopbouw. De landerige sfeer op zulke campings is goed getroffen, maar je moet als lezer wel geduld oefenen. Er passeren talrijke kleine belevenissen met vriendinnetjes in het campingverleden en non-descripte ontmoetingen in het heden, toen Jonne besloot met een van haar zus gepikte auto terug te rijden naar die specifieke Franse camping. Om alle oude ervaringen te herbeleven en er zo grip op te krijgen.

Daar komt bij dat Essink geregeld, ondanks de in het nawoord hartelijk bedankte redacteuren bij Meulenhoff, merkwaardig kromme taal gebruikt. Een vrouw rolt vergevingsgezind met haar ogen, er stuiven kiezels op, rotsbrokken worden uitgespuugd door bergen, een telefoon landt op gras met een harde tik, er is sprake van kluiten haar, takken die tegen wangen spatten en asfalten vlakken. Ook kun je je afvragen wie er een klink naar beneden drukt om een autoportier te openen. Het zijn enkele voorbeelden.

“ Als hun blikken kruisen in de binnenspiegel verschrompelt er iets in Jonne ter hoogte van haar middenrif. ”

Het zou allemaal nog niet zo storen als De zomer en het meisje een sterkere constructie of een heel eigenzinnige benadering had gehad. Essinks eerste leest echter als een langdradige YA-roman, waarin de jongvolwassene maar eindeloos blijft piekeren over haar eigen handelen. De afronding, de chaotische en wat gezocht aandoende plot, maakt het er allemaal ook niet beter op.

André Keikes

Annabel Essink – De zomer en het meisje. Meulenhoff, Amsterdam. 240 blz. € 21,99.