Recensie: Carlo Rovelli – Over de gelijkheid van alle dingen
Really real?
‘Is it really, really real? Yeah / Wе’re splitting up reality / And I slip out through the crack in bеtween it / Is it really real?’ zingt popster Robyn in een nummer op haar laatste album. Een tekst die vermoedelijk over de zoveelste tragische liefdesrelatie gaat, maar na het lezen van Helgoland van Carlo Rovelli, begon ik toch te twijfelen of Robyn zich niet ook stiekem een beetje in de kwantumfysica heeft verdiept. Met het werk van Rovelli zou dat in ieder geval goed mogelijk moeten zijn. Deze theoretisch natuurkundige van beroep maakt namelijk al een tijdlang furore met boeken waarin hij de ideeën van de moderne fysica zo kort en krachtig uit de doeken doet dat ze zelfs voor een gemiddelde popster te begrijpen zouden moeten zijn.
Zijn nieuwste boek, Over de gelijkheid van alle dingen, is daar een beetje een uitzondering op. Het ontstond tijdens een residentie aan de filosofie afdeling van de Universiteit van Princeton, waar Rovelli geconfronteerd werd met de denkbeelden die op hem, vanuit zijn standpunt als natuurkundige, een nogal achterhaalde indruk maakten. Tijdens een gesprek met een van de studenten besefte hij bijvoorbeeld plots dat deze jongeman Galileo’s begrip van snelheid, waarin snelheid geen absolute betekenis heeft maar slechts gemeten kan worden in termen van de beweging van twee objecten relatief tegenover elkaar, wel begreep maar niet aanvaardde: ‘Kom nou, Carlo, er moet toch wel degelijk een absolute betekenis bestaan voor het bewegen of het stilstaan van iets.’
Dat is nu net het centrale punt van dit boek en misschien wel van heel Rovelli zijn werk. Doorheen de net geen 200 pagina’s zet hij namelijk uiteen hoe de moderne wetenschap ertoe gekomen is dat niet alleen snelheid een relatief begrip is, maar de hele werkelijkheid slechts begrepen kan worden in termen van relatieve verbanden. Alle de concepten waarvan we geloofden dat ze vaststonden en eeuwig waren, zoals ruimte, tijd, zwaartekracht en zelfs materie, kunnen in werkelijkheid alleen maar binnen een specifieke context begrepen worden. Er bestaat geen objectief, wetenschappelijk standpunt van waaruit de werkelijkheid beschreven zou kunnen worden zoals die is. We kunnen de wereld alleen maar beschrijven van binnenuit, wat betekent dat de zogenaamde bouwstenen van onze werkelijkheid aan verandering onderhevig zijn, afhankelijk van door wie en wat ze vanuit welk punt bekeken, bestudeerd en beïnvloed worden. Een waarheid waar de filosofen van Princeton, die nog steeds opgeleid worden vanuit het ideaal dat de filosofie en de wetenschap de absolute grondslagen van de werkelijkheid zouden moeten blootleggen, maar moeilijk mee om blijken te kunnen gaan en waardoor ze eigenlijk achter de huidige stand van zaken aan blijven hobbelen.
Maar valt er dan überhaupt nog wel iets over de werkelijkheid te zeggen? Als alle kennis die we over de wereld hebben opgedaan relatief is, valt er dan überhaupt nog iets van een waarheid over te formuleren. Daar komt Rovelli met een prachtige, haast poëtische draai aan zijn verhaal. Alle kennis – van de natuurkundige tot de chemische, biologische, psychologische, economisch, sociale en zelfs poëtische – is wel degelijk waar, maar alleen binnen de context die ze op dat specifieke moment probeert te omschrijven:
We kunnen het bos bekijken of de bomen, of de bladeren van de bomen, of haar biochemie, of haar atoomfysica, of haar korrelige quantumgravitationele ruimtetijdstructuur, of – in een andere richting – we kunnen de economische rol van het bos zien, de passie van elkaar tussen de bomen achterna zittende minnaars, het wonder van de schoonheid van het bos, de roterende planeet waarop het bos zich bevindt, het enorme melkwegstelsel waartoe het behoort, verloren in de oceaan van andere sterrenstelsels.
Wat Rovelli de student filosofie vooral kwalijk neemt, is dat hij, ondanks het overtuigende, in zijn geval vierhonderd jaar oude, bewijs, niet bereid is zich nederig tegenover de werkelijkheid op te stellen en zijn ideeën bij te stellen. Dat hij niet wil inzien ‘dat we, om de wereld beter te begrijpen, moeten toelaten dat onze begrippen evolueren.’ Zijn filosofie kan zich immers alleen nuttig maken, als zij rekenschap aflegt aan wat de wetenschap over de werkelijkheid te weten is gekomen en zich daaraan aan probeert te passen:
Als sapere aude, durf te weten, een boodschap van wijsheid is van Horatius tot Kant, dan denk ik dat de boodschap van wijsheid van het nieuwe millennium mag zijn nescire aude, durf te niet-weten, durf niet bang te zijn voor onze onwetendheid.
Misschien ligt er op dat punt zelfs wel iets van een taak voor de kunst en de literatuur weggelegd. Net als de filosofie heeft deze zich de afgelopen tijd immers behoorlijk van de wetenschap afzijdig gehouden. Waar wetenschap, kunst en filosofie ooit gelijk met elkaar optrokken als de muzen van onze menselijke kennis en kunde, zijn ze tegenwoordig steeds verder uit elkaar gegroeid en elk hun eigen werelden gaan bevolken. De enige plek voor de schrijver op de universiteit is dood in de lessen letterkunde of langs de zijlijn als writer-in-residence. En dat terwijl het vormen van nieuwe begrippen of het bedenken van innovatieve metaforen nu net zijn/haar/hun voornaamste taak zou moeten zijn. Of zoals Rovelli het zelf aan het slot van zijn boek stelt:
Het wetenschappelijke denken maakt goed gebruik van logische en wiskundige strengheid, maar dat is slechts een van de twee kenmerken die tot succes hebben geleid. Het andere is de door de evolutie van haar conceptuele structuur mogelijk gemaakte creativiteit. […] Dit metaforische aspect van de wetenschap is visueel en visionair.
Jonathan van der Horst
Carlo Rovelli – Over de gelijkheid van alle dingen. Uit het Italiaans vertaald door Hans van den Berg. Prometheus, Amsterdam. 232 blz. € 22,99.
