Recensie: Maggie O’Farell – Land
O’Farrell als landmeter van een geteisterd gezin
In Land, de tiende roman van Maggie O’Farrell (1972), vertelt vader Tomás aan zijn zoon Liam dat een goede landmeter een seanchai moet zijn, een verteller van het land. Ik weet niet of er in het Iers Gaelisch ook een term bestaat voor de verteller van een geteisterd gezin, dat zou in ieder geval de gepaste term zijn voor wat Maggie O’Farrell doet in Land, een veelzijdige en uitwaaierende roman over de verscheuring van een Iers gezin in de 19de eeuw. Maar ondanks de stuwende kracht en de rijkdom van de roman, blijft er een en ander knagen, zoals de vraag: wat wil O’Farrell precies aantonen met zoveel onheil binnen één gezin?
Land begint min of meer waar Grace van de Ierse auteur Paul Lynch eindigt, namelijk in de periode vlak na de grote hongersnood of ‘Great Famine’ in Ierland (1845-1852). Tomás en Phina, het centrale echtpaar in Land, heeft die hongersnood – waarbij een miljoen Ieren om het leven zijn gekomen en waarbij miljoenen anderen zijn gevlucht – ternauwernood overleefd en dragen dat trauma met zich mee. Hun kinderen, de oudste zoon Liam, de dochters Enda en Rose en de jongste zoon Eugene groeien op in een veranderd Ierland.
Tomás heeft als landmeter en cartograaf van de Engelse overheerser – de ‘roodrokken’ – de opdracht gekregen om op een (fictief) Iers schiereiland de impact van hongersnood letterlijk in kaart te brengen. Wanneer Tomás daarbij in het kreupelhout op een bodemloze bron botst, krijgt hij een soort openbaring die niet alleen zijn eigen leven in een andere plooi legt, maar die ook het leven van de rest van zijn gezin voor altijd verandert. Van het ene moment op het andere verandert Tomás van ‘een man van weinig woorden’ in een praatzieke rebel. Hij wil niet langer werken in opdracht van de Engelsen en zomaar gedwee een kaart van het landschap maken. Hij wil een kaart maken van ‘hoe het land werkelijk is, van hoe het altijd geweest is’. Dat zou ‘een daad van verzet zijn’.
Maar dat plan gaat niet door want Tomás botst op een pastoor die denkt dat Tomás bezeten is en die bij Tomás een duiveluitdrijving uitvoert. Tomás lijkt te breken en is nadien niet meer dezelfde. Hij dwingt zijn gezin wel nog te verhuizen naar de buurt van de bron omdat hij die magische plek nog steeds ziet als de oplossing ‘voor alles’. Die animistische, anti-kerkelijke houding van Tomás blijft de pastoor een doorn in het oog. Hij wil Tomás ‘laten zien dat gebrek aan respect voor de kerk nooit zonder gevolgen blijft’ en veroorzaakt een breuk tussen Tomás en zoon Liam, die kiest voor een toekomst als priester, het gezin verlaat en naar het buitenland trekt.
O’Farrell laat het verhaal enorm uitwaaieren in tijd en ruimte. Zo katapulteert ze de lezer op een gegeven moment duizenden jaren terug, om diezelfde lezer nadien opnieuw vooruit te stuwen door de geschiedenis en netjes af te leveren in het Ierland rond 1865. Via de steeds wisselende vertelperspectieven reist de lezer ook vlotjes mee naar plaatsen als Rome, India en Canada.
Intussen krijgt het gezin af te rekenen met de ene beproeving na de andere. Verlies, ziekte, geweld… het gezin lijkt van het ene dramatische voorval in het andere te sukkelen. ‘Het lijkt wel alsof er een vloek op hun familie rust’, verzucht de moegetergde Rose op een gegeven moment. Je gaat je als lezer afvragen waarom het gezin al dat onheil over zich heen krijgt? Is het puur omdat ze zich op verschillende momenten verzetten tegen het machtsmisbruik van de gezaghebbers die hen omringen, of het nu gaat om de Engelsen, de burggraaf of de kerk?
Wie de stijl van O’Farrell kent, weet dat Iers-Britse auteur via alle zintuigen probeert om de lezer ‘in’ het verhaal te trekken. Dat deed ze bijvoorbeeld ook in Hamnet (2020), het gelauwerde verhaal over het tragische overlijden van de zoon van William Shakespeare, een roman die ook verfilmd werd en die vorig jaar veel succes oogstte in de bioscoopzalen.
Ondanks de stuwende vetelkracht en de weelderige, zintuiglijke stijl van O’Farrell bleef er bij mij iets knagen tijdens het lezen. Lange tijd kon ik er niet precies mijn vinger op leggen. Maar dan viel het me op dat er erg weinig dialogen in het boek zitten en dat de personages voor een stuk op een afstand blijven omdat hun binnenkant, hun karakter vaker uitgelegd wordt dan getoond. Net dat kan het de lezer moeilijker maken om echt mee te leven met de opeenvolging van tragedies die de personages meemaken.
Maarten De Rijk
Maggie O’Farrell – Land. Uit het Engels vertaald door Lidwien Biekman en Karina van Santen. Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar. 448 blz. € 26,99.

