Deze recensie van De kegelwerper verscheen voor het eerst in 2006.

Geslaagde voorstelling

En dan krijg je ineens deze kleine roman van Margriet de Moor in handen. Wat is dit een raar en vrolijk boek! Misschien zou je De kegelwerper beter een schets kunnen noemen, een impressie, maar dan wel eentje op hoog niveau. Ik heb er bij zitten grijnzen en hoofdschudden en me zitten verbazen en me tot en met het einde af zitten vragen hoe ze dit voor elkaar kreeg.

Dit is een variéténummer in de klassieke betekenis. We kijken naar een adembenemende act van hoog niveau, we moeten lachen, we houden onze adem in en als het afgelopen is weten we niet eens meer precies te vertellen wat we ook weer gezien hebben.

De Moor laat ons kennismaken met een stel variétéartiesten die tijdelijk bij elkaar in een pension in Amsterdam verblijven (we schrijven eind jaren vijftig). Ze treden op in pauzes in bioscopen en in nachtclubs. Charles Pluut, goochelaar, die eigenlijk Rinus Ridder heet, Peter Newton, jongleur, Mis Daisy (act met duif), de Pfyfy’s, bestaande uit de heer en mevrouw Williams, de Mowo’s en de krachtpatser Signor Bruno met zijn twee dwergvrouwtjes. Ze trekken tussen de bedrijven door zo’n beetje met elkaar op, Charles Pluut begint een relatie met Daisy, op wie Peter Newton ook een oogje heeft en zo gebeurt er nog eens wat in dat pension en langs de straten van het Rembrandtplein in Amsterdam. Die rare Pluut wil Daisy aan Peter afstaan, haar cadeau doen, maar wil Daisy dat wel?

De Moor maakt hier een zwierige en vrolijke toestand van. Barstensvol uiterst merkwaardige zinnen, vreemde toespelingen, gedurfde vergelijkingen en gewaagde terzijdes. Het schrijfplezier spettert er vanaf. Ze beschrijft bijvoorbeeld de act van de Pfyfy’s en dan staat er: ‘De twee keken elkaar dan aan, Diana met een gezicht zo open en onbedorven dat ze wel Milou had kunnen heten, of zelfs Nelleke.’ Of als ze een tram beschrijft: ‘Op de achterbank twee persoonlijkheden, naast elkaar, die ergens wel wisten dat de een op de ander een overval pleegde.’ Of neem de volgende rare dialoog:

‘Volgens mij kijkt geen enkel dier scheel.’
‘Nee, niet één.’
‘Wie niet denkt, hoeft ook niet dubbel te kijken.’
‘Is waar.’

Ik kan wel aan het citeren blijven, het beste is dit boek te lezen en al dit raars en fraais aan je oog voorbij te zien trekken. Toch nog eentje: ‘Den Braber zag een zwaar geïntimideerd
meisje het hoofd recht houden, dwaas en eerlijk zoals meisjes doen die als kind op balletles hebben gezeten.’ Zo lees je ze echt niet vaak in Nederlandse literatuur.

Toegegeven, dit boek is niet een ernstig boek, zo’n boek met veel verdriet over vroeger en later, waarop vooral Nederlandse schrijvers een patent hebben en waar ook De Moor zelf haar hand niet voor omdraait. Zie bijvoorbeeld haar laatste geslaagde roman De verdronkene uit 2005 over de watersnoodramp in Zeeland. Dit is dus compleet anders, dit is een geestig en vreemd en luchtig en dolgedraaid boek van een schrijfster die zin had zich lekker over te geven aan rare gekkigheid en daar voortreffelijk in slaagde.

Ze doorbreekt tussen neus en lippen door allerlei vaste conventies van de roman en doet net alsof dat de gewoonste zaak van de wereld is. Ze laat haar figuren gefingeerde monologen tegen elkaar afsteken, laat daken van huizen weten dat de kerstdagen eraan komen en vat in de eerste zin al gelijk haar hele verhaal samen. Maar dat laatste besef je pas als je het boek helemaal gelezen hebt en getuige bent geweest van een voortreffelijke variétéact. Graag nog vaak en lang in dit theater.

Kees ’t Hart

Margriet de Moor – De kegelwerper Contact, Amsterdam. 144 blz.

Deze recensie verscheen voor het eerst in de Leeuwarder Courant op 26 mei 2006.