De verdwijning

In mijn jonge jaren belden we op goed geluk aan. Gaf men geen sjoege dan liepen we verder naar het volgende adres dat we hadden onthouden of op een papiertje toegestopt hadden gekregen. Friday night when the eagle flies, zakje weed in de broekzak, fles wijn in de hand en op afgesleten Spaanse laarzen die tikten op de keien. Een clubje vrienden op zoek naar gezelschap om mee te feesten, de avond was lang, de nacht oneindig. Die wereld lijkt te zijn verdwenen. Ik zeg lijkt, want ik ben inmiddels een zeventiger en op vrijdagavond doe ik dingen die mij van de straat houden. Toch, aangebeld wordt tegenwoordig voornamelijk door de pakketbezorger. We doen van alles online, thuis achter de pc of op de telefoon in de supermarkt. Ik ben blij als het allemaal een beetje lukt. Maar mijn generatie is gezegend, we hadden elkaar in levende lijve en hebben nog de kans gehad om ‘buiten te spelen’. Kom daar nu maar eens om.

Als dichter en schrijver heb ik door de jaren heen een kring van liefhebbers gekregen, hoewel ik moet zeggen dat ik niet weet of die nog bestaat. Mijn nostalgische stukjes in Argus veteranenopinieblad worden (hopelijk) gelezen. Na vijftig jaar schrijverschap voel ik mij als een ongebruikt accessoire dat achter in een lade met alle macht probeert haar glans te behouden. Mijn uitgever adviseerde me om maar es rond te gaan kijken naar een uitgever die oudere dichters en schrijvers in ere wil houden, terwijl ik aan mijn vierde prozaboek werk en een dertiende dichtbundel ‘gereed’ is (‘Wat af is, is niet gemaakt,’ zegt de Franse filosoof en dichter Paul Valéry). Als docent op de Schrijversvakschool heb ik gedurende dertig jaar lesgeven aspirant-schrijvers zien veranderen van eigenwijze weifelaars met een passie voor schrijven in eigenwijze weifelaars met een passie voor schrijven én publiceren. Innerlijke noodzaak tot creëren lijkt gelijk op te gaan met een maatschappelijke noodzaak tot presteren, een druk van buitenaf waaraan moeilijk lijkt te ontsnappen. Een stok achter de deur of het zwaard van Damocles? Als twintigjarige ramde ik mijn vingertoppen rauw op de toetsen van een Remington, tureluurs van het indraaien van carbonpapier en wegtikken van fouten op een correctiepapiertje. Op een tochtig zolderkamertje, jawel. Of mijn probeersels poëzie voor anderen interessant zouden kunnen zijn, was een vraag die ik mij niet stelde, uitgevers lagen buiten mijn gezichtsveld. Geen druk dan die je jezelf oplegt, maar ook dat kan een hel zijn!

In het laatste decennium en met name in de laatste vijf jaar zijn veel oudere, nog springlevende dichters en schrijvers verdwenen – op podia, in bibliotheken, festivals. Ze waren ooit bekend en toonaangevend. Dat ben ik nooit geweest. Misschien in het buitenland waar door deelname aan dichtersfestivals affiniteit met mijn poëzie was ontstaan, vertalingen verschenen en bekroningen plaatsvonden waarvan ik met volle teugen heb genoten. In Nederland was ik als tweeëntwintigjarig debuterend dichteresje zonder kruimels in het bos verdwenen, of beter, over de oceaan. Terug van mijn Amerikaanse jaren werd ik moeder van een zoon en kreeg het te druk met voeden, wassen, koken, enzovoorts. De dichter was een alleenstaande moeder die weliswaar bleef dichten aan de keukentafel, maar geen puf meer had om de goden van de literaire wereld opnieuw te verzoeken met haar poëzie. ‘Ach, kind,’ zei de dichter Bert Schierbeek tegen me, ‘je bent gewoon aan het leven!’ Maar terug naar de tijd van nu. Door de toenemende onzichtbaarheid, of moet ik zeggen, het achteloze negeren van oudere schrijvers, man of vrouw, verdwijnt er meer dan kennis, er verdwijnt een hele wereld die heeft bestaan op het ritme van een hartklop, op papier en daarbuiten. Een wereld waarin je als twintiger in spijkerjack en batiksjaal naar de andere kant van de wereld toerde op een enkele reis en veertig dollar in je rugzak, het ongewisse tegemoet.

Het was geen slimme zet van mij om vrijwel meteen na verschijning van mijn eerste bundel naar Amerika te gaan in spijkerjack en genoemde batiksjaal, want moest ik nu de rest van mijn leven dichter wezen? Weer terug in Nederland merkte ik dat de meeste podia gevuld werden met mannendichters. Tijdens mijn verblijf in Californië was ik een enthousiaste surfer geworden, maar minder nat achter de oren. Ik had een en ander meegemaakt en overwonnen. Mijn gedichten in Engelse vertaling ten gehore gebracht in het voorprogramma van het fenomeen Allen Ginsberg in de Savoy Tivoli, San Francisco! Jaja, zal best, doe normaal, zeg. Inmiddels was in het Nederlandse en Vlaamse dichterscircuit het imago van jong, introvert meisje uit de provincie met ‘van die gevoelige gedichtjes’ vervangen door het etiket lichtgewicht (ik verdiende soms wat bij als fotomodel) en typische eendagsvlieg. Als ik was uitgenodigd voor een optreden – gebeurde niet zo vaak – en ik mij enigszins schoorvoetend naar de rij deelnemende dichters toe bewoog, was er altijd wel een die mij bevreemd aankeek met de opmerking: ‘Zeg, ben jij niet van de organisatie? Kan ik wat te drinken krijgen?’ Mijn aanwezigheid als dichter op het podium van de jaren zeventig ging dikwijls gepaard met verzoeken om een natje en droogje. En als mijn vinger wees naar het programmablaadje waarop ik stond aangekondigd, hoorde ik de uitspraak ‘Goh, iedereen is dichter tegenwoordig!’

LEAD Technologies Inc. V1.01

Toch hebben zich ook mannen voor mij ingezet. De Vijftigers Bert Schierbeek en Remco Campert, bijvoorbeeld. Niet de eerste de besten. En Martin Mooij, oprichter van Poetry International Rotterdam, die mij in 1976 uitnodigde voor het festival. Zij hebben vertrouwen gehad in mijn prille dichterschap en Geert Lubberhuizen van De Bezige Bij had er ook fiducie in. Voordat in 1978 de debuutbundel De Aantekening van de pers rolde, was een flink aantal gedichten al verschenen in Gedicht, een literair tijdschrift in boekvorm dat vier keer per jaar verscheen onder redactie van Remco Campert. Van de vijftig gulden die ik voor de publicaties ontving, kocht ik lichtblauwe pumps. Daarop liep ik (een beetje ernaast) naar bodega Keyzer waar Bert en Remco mij opwachtten met de fles op tafel. Een halve eeuw geleden. ‘Geef me nog een glas wijn, want het leven is niets,’ zei de Portugese dichter Fernando Pessoa, terwijl hij zijn glas overhandigde aan een toegesnelde serveerster (met dichterlijke aspiraties!). Nu serveer ik mijzelf in mijn zomerse stadstuin waarop een huisje staat waar ik nu en dan in verdwijn om plaats te nemen achter de schrijftafel. Ik lijd aan het bekende ‘uitstelgedrag’. Wat te doen als alle onkruid uit het zicht is verdwenen en het snoeien van de haag mij een hernia heeft bezorgd? Schrijven! Vooruit! Pijnlijke rug of niet. Of beter in de struiken verdwijnen op zoek naar hardnekkig onkruid? Ja! Jouw tijd is voorbij. Maar tijden veranderen en nieuwe generaties doen hun intrede. Een natuurlijke gang van zaken waar ik geen moeite mee heb. Nee, ik vraag om meer ruimte en waardering voor de oudere schrijver, ruimte om intact te blijven, vernieuwend te zijn, opnieuw herkenbaar te worden, waardering voor een oeuvre en de geschiedenis erachter. Een oudere (niet beroemde) schrijver is buigzaam, taai, geworteld en een stevige grond voor het wegspringen van nieuwe loten (lees: jonge schrijvers). Dat heeft de Schrijversvakschool begrepen, want ik geef er nog steeds les en enkele oudere schrijvers met mij. Het is de wereld om ons heen die ons het etiket opplakt van de houdbaarheidsdatum.

Ik zit nu toch echt te lang aan mijn schrijftafel, mijn rug is stijf als een plank. Er moet gewandeld worden. Als lid van Het Witte Wijven Genootschap (grijze haren, gevorderde leeftijd) ga ik op straat ongezien voorbij. Het heeft ook zijn voordelen als niemand naar je omkijkt, je voelt je niet meer opgejaagd, wel zo rustig. En ik ben er op papier. Op Google! Ook leef ik nog. Je kunt zo tegen mij opbotsen (Kijk uit, kutwijf!), ik hou van zwerven door de stad. Wel moet je op je tellen moet passen, want elke dag is er een fanatieke elektrische fietswedstrijd gaande. Voordat je ’t weet lig je op het trottoir met een gebroken heup. Gelukkig ben ik zo helder van geest geweest om mijn correspondentie met beroemde- minder beroemde en nog minder beroemde schrijvers, foto’s, knipsels, enzovoorts, te redden van de vergetelheid. Ze liggen veilig opgeborgen in het Literatuurmuseum in Den Haag. Wat mijn boeken betreft, die liggen veilig opgeborgen in mijn werkkamer in stapeltjes, noodgedwongen door mijzelf aangekocht met 40% auteurskorting en slinken mondjesmaat. Ook Boekwinkeltjes.nl heeft er niet veel handel van.

Maar ik besta, ik adem, ik schrijf, ik doe wat ik al vijftig jaar doe. Dichten, schrijven. De uitgevers staan niet te trappelen om mijn nieuwe gedichten uit te geven. Integendeel. Ze hebben alle tijd. Zoveel, dat er helemaal niks van lijkt te komen. Ik zeg lijkt, want wie weet wat het universum voor mij in petto heeft. Toch, wat ik jaren tegen mijn studenten van de Schrijversvakschool heb gezegd, namelijk: ‘Niemand zit op jou te wachten’ om ze met deze dooddoener te harden voor de onvoorspelbaarheid van uitgevers en de meedogenloosheid van de tijd, geldt nu voor mij. Ouwe rot in het vak, die nog wil ‘shinen’. En waarom ook niet?

Gerry van der Linden